Mijn moeder heeft een laatste wens; ze wil het schip waar ze als kind opgroeide nog één keer zien. De naam van het schip was Rosa en toen haar vader het verkocht en stierf op zijn laatste reis is het omgedoopt tot Ozelot. Ze geeft me haar laatste wens in een enveloppe waarop “laatste wens” geschreven staat.

“Ge zult het wel nooit niet vinden.”, zegt ze en ik klap mijn computer open. Enkele seconden later kijken we naar de tijdslijn van het schip waar ze opgroeide.

“De plek waar ik als kind speelde is er niet meer.”, wijst ze naar de foto van het schip dat Ozelot heet. Met haar bibberende vinger streelt ze het beeld.

“Het is er niet meer.”. Het schip is enkele jaren geleden in de schroothoop van deze wereld terecht gekomen. “Mijn kinderjaren zijn nu echt weg.”, zegt mijn 84-jarige moeder.

Ik print een foto van het schip uit die ze weg steekt. “Ik ga deze foto inkaderen.”. Mijn moeder kadert niks in tenzij je het haar met kader cadeau geeft. Haar laatste wens ging in vervulling.

“Ik wist niet dat het zo makkelijk zou zijn.”, lacht ze terwijl ze deur sluit. De vrouw die me op de wereld zette wil niet meer leven. Ze heeft er genoeg van. Ze wacht de tijd af dat ze naar haar zus en broers kan, haar moeder weer zien die in haar armen op het schip is gestorven en haar vader die op z’n laatste reis tussen wal en schip is verpletterd. Haar laatste wens.

Vandaag liep ik met mijn zoon door Antwerpen Noord. Als kind liep ik er vaak rond want mijn vader woonde er. Eerst in een kleine studio in de Van Maerlantstraat. Daar zag ik hem voor het eerst weer na een heel lange periode. Terwijl we zaten te praten kwam er zwarte rook van onder de deur. Mijn vaders overbuur had zijn studio in brand gestoken in de hoop er zelf het leven bij te laten. Het was mislukt, mijn vader belde de pompiers. Later woonde hij in de Van Aerdtstraat, over den Boots. Een café waar ik als kind enkel mannen met een lederen pet en een snor zag buiten komen. Toen dacht ik dat daar de Village People woonde, die hadden een hitje en daar stond ook zo eene bij met een snor en een lederen pet. Maar dien indiaan heb ik daar nooit gezien. Mijn vader woonde naast tante Ursula.

Tante Ursula en nonkel Julien waren binnenschippers. Ik heb me laten vertellen dat nonkel Julien tijdens zijn jaren op het schip geen druppel alcohol had aangeraakt. Maar toen hij aan de wal ging zag ik hem graag als concierge van het lelijkste gebouw in de Van Aerdtstraat met een pilske in zijn hand.

Mijn vader woonde boven een ouwe Rijnschipper. Hij was een jaar of tachtig, waste zich nooit en hield heelder conversaties tegen zijn televisietoestel.  De deur van deze man stond altijd open. Als ik als kind bij mijn vader kwam zag ik hoe hij in zijn zetel zat met zijn schippersklak op en af en toe heel hard kreunde. Een kreet die ik tot nu nergens anders heb gehoord. Mijn vader woonde daar in een gemeubelde kamer. Het moest een gezelligheid voorstellen maar het portret van de huilende clown verraadde dat ook hij hier niet gelukkig was. Mijn vader werkte hard in die tijd om niet daar te zijn, om geen gesprek aan te gaan. Liever observeerde hij het leven dat hem omringde en porde me als kind aan om zeker te zien wat hij zag en liefst meer. Ik herken het nu zo goed als ik met mijn zoon door deze wijk loop en hij zijn scherp observatievermogen gekoppeld aan zijn rijke fantasie afvuurt op wat hij ziet en me aanport te zien wat hij ziet.

Dertien was ik toen ik besloot naar de hotelschool te gaan. Een grap die we ons niet konden permitteren. Tante Jeanne betaalde deze opleiding en in ruil ging mijn moeder elke dinsdag poetsen bij tante Jeanne. Dan waren er zwarte muizekes als ze terug kwamen van de markt. En verse groenten en fruit. Tante Jeanne zorgde goed voor haar kleinste zus.

Zo fier dat ik op de hotelschool mocht beginnen nam ik  bus 28 in mijn koksuniform. Ik droeg mijn tok, messenset en klompen en zette me voor een oud vrouwtje die bij elke bocht naar me knipoogde. Ik wilde dat mijn vader dit zag. Ik stapte uit aan de Van Aerdtstraat. Op de hoek zaten altijd dezelfde stamgasten in café Smile. Misschien waren het steeds andere maar ze zagen er wel altijd hetzelfde uit. Ik belde aan bij mijn vader. Zijn huisbazin riep vanuit haar venster dat hij daar niet was terwijl haar tekkel op en neer sprong.

Nonkel Julien stond zijn gang te dweilen.

“Uwe pa is boven, menneke”. Ik belde boven aan. Tante Ursula deed een deur op een kier open en zei me dat mijn vader me nu niet kon zien.

Ik nam bus 28 terug naar huis en heb mijn vader toen heel lang niet gezien.

En als er al veel gebroken was tussen hem en mij was dat het moment dat onze werelden echt ver uit elkaar lagen. En echt goed is het nooit meer gekomen tussen hem en mij. Als kind begreep ik niet dat hij me niet wilde zien. Als vader kan ik me niet voorstellen dat ik mijn kinderen niet wil zien. Waarom hij me niet wilde zien heb ik hem nooit gevraagd. Dat deden we niet. We observeerde liever andere werelden en lieten onze fantasie erop los.

Een kind vraagt of het zijn naam in de wolken mag schrijven en of de wolken die naam dan ooit terug zullen geven aan het land van zijn dromen.

Terwijl we dansen krijgt één van mijn spelers het nieuws dat zijn broers zijn omgekomen bij een bomaanslag in Syrië. Hij kan niet meer dansen.

En oorlog is heel dicht bij.

Een grote man laat een foto op zijn smartphone zien van een kindje.Het is zijn kindje. Hij heeft het kind nog nooit vastgenomen, enkel gekoesterd in zijn dromen.

En oorlog is heel dichtbij.

Een man droomt ervan zijn moeder nog één keer vast te houden. Een grootmoeder somt op wie ze allemaal verloren heeft toen ze naar hier kwam.

En oorlog is heel dichtbij.

En dan zijn er mensen die ons willen laten geloven dat mensen hier komen om op “onze kap te leven”, zoals ze zeggen.

In een huis met briefjes hangt er een kleefbriefje van het ziekenfonds aan de deurbel. Aan de venster hangt er een geel kleefbriefje: “Mijn bel is kapot, ik lig in mijn bed. Vivianne.” Twee straten verder draait een deurwaarder zijn hoofd terwijl de agenten het slot van een huisje forceren.

En oorlog is heel dichtbij.

Een vrouw met overgewicht jaagt iedereen tegen haar in het harnas. Eén seconde gooide haar leven overhoop sindsdien is ze een pratende vleeshoop die haar grote mond vervult in een kreet van liefde. Een man uit Somalië wil alleen zijn kind vasthouden en schommelt ondertussen op een bankje in de zon.

En oorlog is heel dichtbij.

Mensen die de oorlog dragen zijn zo dichtbij. Ze komen niet.  Ze zijn de buren van jou en jij. De oorlog in alle vormen is zo dichtbij.

Ben heeft een schriftje vast. Hij woont al tien jaar illegaal in deze stad. Hij heeft een vrouw en drie kinderen die samen met hem illegaal zijn. Ben en zijn gezin durven alleen in het donker bewegen. Hij heeft weet dat ik ook met vluchtelingen werk en hij laat een schriftje zien met  daarin een prachtig sierlijk handschrift.

“Van mijn dochter.”, fluistert Ben, “Denk jij dat ze naar school zou mogen in België? Kan jij dat vragen aan een school?”.

Mijn ogen dwalen over het prachtige handschrift en het verhaal dat op het papier staat.

Ik neem het schriftje mee naar een school en daar weet een directrice dat een verhaal niet allesomvattend is en dat het kind eerst moet getest worden.

“Nieuwsgierigheid, is dat ook een criterium?”, vraag ik.

De directrice draait met haar ogen en zegt dat je met nieuwsgierigheid alleen niet ver komt in dit leven en ze sluit de deur van haar kantoor.

Op het nieuws melden ze dat twintig miljoen mensen afstevenen op een enorme hongersnood. Twintig miljoen… En wij ? We sluiten nog sterker onze grenzen. Europa sluit zich op als een oudgetrouwd koppel.

Ik lees verder in het schriftje over hoe ze met haar vader ’s nachts over de straten dwaalt. Als klein kind dacht ze dat de nacht de dag was en de maan de zon. Hoe haar vader met haar in een portiek springt als er een politiepatrouille voorbij rijdt.

Een groep artiesten vraagt me om hun dossier te lezen zodat ze subsidies kunnen aanvragen. Ik mis een maatschappelijk engagement van de artiesten.

“Dat is l’art pour l’art, Stefan. Dat mag. Wij artiesten zijn geen sociaal werkers, hé!”.

Ze zijn boos.

Ik sluit het schriftje en heb zin om de wereld door elkaar te schudden. Dat kan ik maar op één manier en dat is met de kunsten.Het meisje kan schrijven en schoon, is nieuwsgierig  en wil de echte dag beter leren kennen.

Hij is dertien. Mijn oudste zoon. “ Het jaar van het haar, papa!”.

“Is het waar dat volwassen-zijn niet bestaat, papa?”.

“Ja, da’s waar. We doen allemaal alsof we anders zijn dan in de andere fases in ons leven maar eigenlijk doen we steeds hetzelfde maar dan anders omdat de tijd voortgaat. Dat weten we zeker.”.

“Volwassen zijn bestaat dus helemaal niet. Dat is een opluchting, papa. Want ik kijk er niet naar uit om volwassen te zijn.”.

Hij trappelt naar boven en slaakt een kreet in zijn kamer. Een indiaan die beseft dat je bent wie je bent.

Een meisje komt binnen in mijn theater. Ze was bij het vuurtje blijven staan en zag dat ons Ministerie van Dromen open was.

“Waar droom jij van?”, vraagt ze me. Ik ben verrast door m’n eigen vraag.

“Mijn droom nu is om dit theater te kopen. Maar mijn droom morgen kan helemaal anders zijn.”.

“Dromen in beweging zijn goeie dromen!”, ze draait zich om en loopt naar boven.

Een natte regenjas zet zich naast me op de bank.

“Stefan, kan je hier ook met je voetjes op de grond dingen realiseren? Ik ben niet zo’n dromer. Ik denk dat je niks kan realiseren in dit leven. Alles is democratie maar wordt toch in achterkamertjes beslist. Maar ik ben een kleine garnaal en ik heb niks met achterkamertjes en heb al zever genoeg met m’n eigen democratie;

Wanneer sta ik op? Wat zeg ik het eerst als ik mezelf in de spiegel zie? Is er iets verandert waar ik geen vat op heb? En  dan kijk ik naar mijn lichaam dat verlangt om graag gezien te worden maar weiger te dromen. Kan dat Stefan? Zo met je voetjes op de grond?”.

Dat kan zeker en ik neem hem mee naar ons Kabinet van Verlangen en daar ziet hij hoe vluchtelingen – alleen onderweg –hun beeld proberen te vatten.

Hij zet zich tussen hen in, scheurt met een knipoog een stukje papier van een blok en trekt een bevende lijn.

“Dit heb ik nog nooit gedaan.”.

“Vergeet je voetjes niet op de grond te houden.”, zeg ik hem en hij schuifelt ze over het beton terwijl zijn hand met hem aan de haal gaat.

Mijn zoon staat met het meisje buiten. Ze loopt weg en laat hem staan. Hij draait zijn warrig hoofd in mijn buik. “Papa, is verliefd zijn iets wat je heel graag wil?”.

“Verliefd zijn is heerlijk, zonemans. Verliefd op dees leven nog meer. Ik ben verliefd op dees leven. Verliefd op u en uw broer, jullie mama’s en op alle dingen die me overkomen.”.

“Verliefd op het leven? Papa toch? Gij moet dringend met uw voetjes op de grond blijven.”, hij knipoogt de laatste sproeten van zijn gezicht en ik weet dat hij me in de gaten heeft.

Stijn kan ’s nachts niet slapen. Hij belt de brandweer en vraagt hen wanneer het opendeurdag is?

Een ouwe actrice zit naar haar winterbier te kijken en zegt dat mensen met een beperking toch nooit Othello kunnen spelen.”Ze zijn beperkt. Het woord zegt het zelf; be-perkt. Mensen met een beperking kunnen toch alleen zichzelf spelen! ”. Het grote publiek denkt dat de actrice is zoals ze is. Ze drinkt nog iets.

Stijn kan ’s nachts niet slapen. Hij belt zijn tante op en vraagt wanneer ze samen koffie gaan drinken? “Nu niet Stijn.”, zegt de tante met haar zachte nachtstem, “Het is nog wat vroeg.”. Stijn en zijn tante begrijpen elkaar.

“Je moet meer Nederlands praten! Je moet het durven!”. Een Iraanse vrouw spreekt over haar leven in België en hoe ze depressief thuis zat. Ze miste haar ouders, familie en vrienden terwijl ze in een flatje in Oostende woonde en niemand begreep.Haar woorden zijn helder en duidelijk. Even keek ze terug naar haar leven en gaf een scherpe observatie over hoe zij het leven hier ervaarde. Een man van de VDAB is blij dat ze de woorden uitgesproken heeft. “Je moet meer Nederlands praten! Je moet het durven!”. De vrouw kijkt en is blij dat hij blij is en observeert het leven dat niet het haare is.

Stijn kan ’s nachts niet slapen en luistert naar de adem van zijn moeder. Dan zit hij naast haar bed. Zijn moeder ontdekt hem omdat hij met zijn kouwe voeten tussen de lakens schuift. Zijn moeder stuurt hem naar zijn eigen bed.

“Bijzondere doelgroepen”, voor me staat een man die een enquête houdt over participatie in het culturele veld. Hij articuleert traag en bedacht; “bijzondere doelgroepen.”.

Ik zeg hem dat  participatie geen kolonisatie is.  Dat we via het culturele veld mensen zichzelf kunnen laten ontdekken en dat we daarbij vooral mensen niet moeten forceren om te zijn zoals hij en ik. Dat de kracht van kunst in de kunst zit en dat daarbij werelden nieuwsgierig zijn naar elkaar. Dat we elkaar beter begrijpen als we gezamenlijk nieuwsgierig zijn.

“Ge moet nieuwsgierig zijn in ’t leven!”, riep mijn vader en vroeg vervolgens wat er op de vrachtwagen stond die we net gepasseerd waren.

De ouwe actrice woont alleen en mist een gesprek als ze thuis komt. Ik denk dat het goed zou zijn mocht ze met Stijn samen leven. Ze zou zien dat er een prachtige Othello in hem schuilt.

En wat er overbleef was de stilte.

De voorbije maanden werkten we bij HETGEVOLG met jongeren die in het Fedasil van Arendonk verbleven. Veel van deze jongeren zijn hier zonder ouders. Hun voorstelling was dan ook een luide kreet van gemis en liet ons voelen hoe het voelt als je nergens thuis bent.

“Als ik een huis had zou ik je binnen vragen en je iets te drinken aanbieden. Maar ik heb hier geen huis.”. Met deze woorden nam een Afghaanse moeder afscheid. Ik zette haar en haar dochters een laatste keer af aan het Fedasilcentrum in Broechem. Het afscheid bleef oneindig duren. En dan verdwenen ze in hun verblijf dat gesloten is voor een buitenwereld. Het is niet te geloven dat dit mogelijk is op enkele kilometers van mijn eigen huis.

Dat mensen gevangen leven omdat ze in het land waar ze zich thuis zouden willen voelen bedreigt voelen. Het is een schande hoe wij met mensen omgaan.

Ze draaiden zich om.

En wat er overbleef was de stilte.

Het geruis van het Vlaanderen dat we ten gronde richten.

En dan zijn er stemmen die zich afvragen wat deze mensen hier doen?

Ik kan u zeggen dat de jongeren die ik hier heb ontmoet op de vlucht zijn in hun jonge leven. Omdat ze hun ouders, broers, zussen , familie, vrienden voor hun eigen ogen hebben zien vermoorden.

In de naam van niemand die naam waardig.

Als artiest kan ik er alleen maar dichtbij blijven en hen tonen dat hun verhaal een kracht heeft.

Gisteren kwam er na de voorstelling een vrouwtje naar me; “mijnheer, ik ben tegen deze soort maar iedereen zou deze voorstelling moeten zien want het laat zien dat wat wij niet weten.”. Dat wat we niet weten kunnen wij als artiesten laten zien.

En wat er overbleef was de stilte.

img_6209bk