Mees kwam op een papieren vogel ons leven binnen gevlogen.“Als je een half uur later was geweest was hij in den auto geboren!”, zei de vroedvrouw terwijl mijn prachtige vrouw na acht keer persen onze nieuwe zoon op de wereld bracht.

Een virus laat hem deze dagen vechten voor een nieuwe adem. Hij is nog zwak maar bij elke ademtocht die zijn weg zoekt van hoog naar diep voel ik hem groeien. Mijn Mees. We ademen mee.

Geboren in een week dat een Turnhoutse school abstractie maakt van mensen met een beperking. “Zo bedoelde we het niet…”, zeiden ze na vier dagen van overpeinzingen.“Teveel uitleg.”, schreven ze in een brief naar de ouders.Aan hun manier van denken mag je niet tornen want zij doen regelmatig “sociale projecten”. Dan gaan ze op bezoek bij mensen met een handicap of vluchtelingen.

In een tijd dat de wereld schreeuwt om inclusie behandelen ze nog steeds kwetsbare mensen zoals mijn vader het beschreef toen hij in de jaren dertig op school zat; “Niet te dicht bij komen, het is besmettelijk.”.

Meer dan ooit schreeuwt de wereld om hen die aan het verdrinken zijn te omarmen. Een“sociaal projectje”. Staat goed bij de kerstboom. Alle orthopedagogen en psychologen die zich hierover gebogen hebben spreken over een gemiste kans voor deze school en zijn leerlingen. Ondertussen is het windstil in de gangen van de jezuïeten.

In Valetta, culturele hoofdstad van Europa 2018, begrijpen ze het wel en nodigen ze ons uit om ons werk te komen voorstellen met voorstellingen en workshops.

Terwijl ik naar mijn Mees zit te kijken wil ik een huis op het strand. In een romantisch gedacht vliegt de verse lucht daar binnen en buiten en kan je zoveel adem kiezen als je wil. Dan nodig ik de hele wereld uit om een nieuwe adem te vinden. Mijn vader zaliger droomde ervan om met mij in een boerderijtje aan het Albertkanaal te gaan wonen. “Ik kook dan elke dag spaghetti.”, zei hij om zijn droom te verkopen.Het is er nooit van gekomen. Het boerderijtje staat er nog steeds. Mijn vader stierf drie jaar geleden in het Jessa ziekenhuis in Hasselt.

Vandaag schenkt datzelfde ziekenhuis € 7000 aan HETGEVOLG voor het Hart Achter de Muur. Dat geeft zuurstof. Adem om samen met andere te zoeken naar den asem van de wereld.

Advertenties

Gisteren kreeg ik een mail van een Turnhoutse school die met veel bravo’s naar Don Quichot bij HETGEVOLG waren komen kijken. Ze vonden het goed. Prachtig. Sterk vertolkt. Goeie tekst….

Maar in het tweede deel van de mail laten ze weten dat ze al hun eventuele schoolvoorstellingen niet laten doorgaan omdat en ik citeer letterlijk;

“Voor vele 14-jarige leerlingen kan dit stuk niet enkel bewondering opwekken voor de hoofdacteur, maar ook heel wat vervreemding.  Op zich zien we daar geen graten in.  We zien het eerder als onze opdracht om leerlingen net te begeleiden in het proces waarin ze stilaan stapjes verder leren zetten inzake inlevingsvermogen en appreciatie voor ook abstractere, minder laagdrempelige ervaringen.  Na overweging en uitgebreid overleg zijn we echter toch tot de conclusie gekomen dat met betrekking tot dit stuk de stap voor vele van onze nog jonge leerlingen te groot zal zijn.  We vrezen dan ook dat het eerder contraproductief kan werken. Onvoldoende begrip of inleving kan namelijk een zekere afkeer opwekken.”

En dit dus terwijl Don Quichot – in de versie die we nu spelen – een oproep is om mensen met een beperking als mens te behandelen. Een mens met dromen en verlangens die elke ochtend in een lichaam wakker wordt dat niet doet wat hij zou willen dat het doet. “Behandel me als een mens.”, loopt als een drum door deze voorstelling.

Dit terwijl we bij HETGEVOLG workshops geven, inleidingen, lesmappen om het allemaal tot de studenten te brengen. Nee, volgens de leerkracht kan het afkeer opwekken. Afkeer van wat vraag ik me dan af? Van het mensdom? Of van de kortzichtige wereld waar ook deze scholen een kunstmatige perfectie willen nastreven? Dat een school de voorstelling niet wil tonen omdat ze misschien te abstract is – kunst laat zich niet vatten ook niet door de wetende – daar kan ik begrip voor opbrengen  maar dat een school de voorstelling niet wil tonen omdat ze er vanuit gaan dat het inlevingsvermogen van hun leerlingen niet klaar is om naar een mens met beperking mét een boodschap te kijken maakt me kostmisselijk.

De hypocrisie die ze uitstralen met de Sint in hun voornaam is geen gebed waard maar een treurzang voor zoveel onwetendheid. Met HETGEVOLG zetten we onze tocht verder om mensen wiens verhaal dreigt onder te sneeuwen in een maatschappij  die niet luistert een stem te geven en dit te delen. Tot in het oneindige.

 

“Ik zou willen dat er een zee was in Turnhout. En in het midden van de zee een berg waar ik naartoe kan als ik mijn moeder mis. Dan klim ik bovenop de berg en ben ik dichter bij haar.“. Een man getuigt tijdens een schrijfproject in HETGEVOLG over het gemis naar zijn land en zijn ouders. Abduallah, onze schrijver uit Syrië, begeleidt en motiveert de deelnemers om in de herinnering van hun verleden een nieuw heden op papier te zetten. Stamelend komen de zinnen op papier, afgebroken woorden, een adem die geen rust vindt. Een andere man stelt voor dat de tuinen van Babylon in Turnhout liggen. Een vrouw zegt dat ons land het land is dat haar kinderen de weg zal wijzen. De andere deelnemers luisteren hoopvol naar haar woorden en weten dat er een lange procedure op hen wacht voor ze de zekerheid krijgen dat dit land hen echt de weg zal wijzen. Dat dit een land is waar ook zij aan het roer mogen staan. Dat hier geen regime is dat hen verbiedt naar school te gaan. Dat hier geen soldaten en piraten zijn die zich ieder moment van de dag tegen jou kunnen keren. Hier niet. Maar ze mogen niet dromen. Ze vechten met tijd en gewoontes en proberen ons zo hard te begrijpen. Bij een interview om hun verblijf te verlengen moeten ze terug door de straten lopen van hun verleden. Een verleden dat ze gewist hebben. “Hoe loopt u van uw huis naar de supermarkt?”, vraagt de ambtenaar die het interview afneemt. “De supermarkt is weg, mijnheer. Daar is het huis van mijn moeder ook zij is er niet meer.”.

 

Mijn betovergrootvader Perceval was bakker bij het leger van Napoleon. Hij kwam in de Nederlanden en werd verliefd op een boerendochter. Hij bleef daar en bakte de eerste Franse baguettes. Niemand lustte het langwerpige brood. Hij begon een café en werd opgenomen in de gemeenschap. Tijdens de tweede wereldoorlog vluchtte mijn vader met zijn ouders en zussen naar Frankrijk. Hij vertelde hoe hij in Frankrijk naar een kleine dorpsschool ging terwijl zijn ouders en zussen bij een boer op het veld werkte. Hoe ze daar een leven probeerde op te bouwen maar hoe ze altijd “sale flamand” waren. Hoe hard ze ook hun best deden. Toen ze na de oorlog terug naar België kwamen was hun huis leeggeplunderd door hun naaste familie. Ze herkende hun servies op het feest van een tante. Hoe ze niks meer hadden en hoe daarna de priester leraar hem vernederde omdat hij niet het juiste schrift had. Omdat ze niks meer hadden. Mijn vader heeft niet kunnen waarmaken waar hij van droomde. Hij wilde zo graag sportjournalist worden. Maar hij was zo trots dat zijn kinderen en kleinkinderen wel de weg vonden waar ze van droomden. Dit is inderdaad het land waar iedereen welkom is en waar je stap voor stap wijzer kan worden. Net zoals geschiedenissen zich herhalen.

Ze vluchten. Vluchten van een leven waar ze niet welkom zijn. Ze vluchten naar dit land en lopen op afgelopen gouden sportschoenen. Ze vluchten en leven van een kamp naar een plek boven een bakker die liever slager zou zijn voor de vierkante meters die hij verhuurd.

Het zijn mijn spelers die ik koester in mijn theater. Ze wakkeren hun moe getergde zielen aan en gaan op ontdekkingsreis door de nieuwe maatschappij die ook van hen verwacht en leren Nederlands met een blind vertrouwen dat hier hun toekomst ligt.

Ze zoeken humor en lachen en openen hun blik en speuren naar onze menselijkheid.Ze verblinden publiek en medespelers met wie ze zijn, met hoe ze zijn. Puur mens – zijn. Een eerlijkheid die niemand overtreffen kan. Telkens weer.

En ze worden uitgewezen. Weg van hier. Terug naar de plek waar ze van vluchten.Omdat wij het ons niet kunnen voorstellen waar ze van vluchten.“We kunnen niet terug, Stefan.”. Dan breekt alles aan mijn lijf en gedachten.

Afgelopen week kregen drie van mijn spelers een negatief advies. Drie spelers die met een enorme gretigheid in dit leven staan. En dan sturen we ze terug. Waar is onze menselijkheid? We verwijderen levensvatbare toekomsten en laten hen opgaan in big data die we aan de andere kant van de wereld in een onmetelijke anonimiteit dumpen.

Zij mogen hier niet dromen.

Zijn dromen ongewenst menselijk? Of compenseren onze dromen ons gebrek aan menselijkheid?

Een klein jongetje steekt de speelhoek van zijn kleuterklas in brand. De directie roept de ouders op hun kantoor en schorst het jongetje, “hij mag zeker nooit mee terug komen!”. Eén juf weet dat er meer aan de hand is dan een jongetje dat onhandelbaar is. Samen zoeken ze me op in HETGEVOLG. Ze vraagt of ik met hem wil werken. “Jij zegt toch altijd dat je achter de muur kijkt. Wil je achter zijn muur kijken?”. En ja, dat wil ik. Het is vrijdagmiddag en we spreken maandagochtend af. Maandagochtend is het jongetje nooit naar HETGEVOLG gekomen want dat weekend heeft de vader de moeder vermoordt. Het jongetje begint aan een lange eenzame reis in opvanggezinnen terwijl grootouders vechten om hem weer te zien en elkaar verwijten.

Niemand vroeg zich af waarom het jongetje de speelhoek in brand stak, Iedereen veroordeelde hem om wat hij had gedaan maar keek niet naar de oorzaak van zijn daden. Bij HETGEVOLG kijken we naar wat achter de muur zit.  Waarom mensen doen wat ze doen? Vanuit alle hoeken van ons land komen mensen langs. Na een project met mensen met een psychische kwetsbaarheid krijgen ze applaus en het compliment dat het van goudwaarde is wat ze doen en hen hierdoor tot “ervaringsdeskundige” maakt. Ze krijgen vleugels en bouwen verder aan hun verhaal, het verhaal van de ander en het verhaal van HETGEVOLG.

In de straat van mijn theater lopen mensen met weemoed aan warme zandkorrels onder hun voeten. Sommige zijn gehaast, bedrukt over iets wat hen bedrukter maakt. Andere proberen in de stap van het alledaagse leven het tempo en de blik van onopvallendheid op te houden. In de straat van mijn theater zijn lippen gespannen omdat je fietsen mag tegen het verkeer in maar je nooit weet of het verkeer je ziet. In de straat van mijn theater is de roep naar vooruitgang is stenen compleet. In de  straat van mijn theater is “al het  grondwater weg gepompt”, zegt een tuinier wiens bloemen hier niet meer zullen groeien.

Carina staat op de tafel in de straat van mijn theater. Ze vertelt hoe haar kinderen werden weg genomen van haar. Het moederschap gleed door haar vingers op dat moment. Een vrouw met een buggy stopt en luistert naar het verhaal.Het verhaal van een vrouw die verlangt naar een compliment maar telkens weer gekwetst van zich afbijt.  De vrouw met de buggy spreekt me na afloop aan en vraagt of ze haar verhaal in  mijn theater mag vertellen en of ik haar kan helpen.“Kan dat? Ik heb zoveel vragen.”.

In de straat van mijn theater schreeuwt de buurt naar een bankje in een park en een goed gesprek.

Er staat een muur in de straat van mijn theater. Een muur van mensen.“De isolatie zit in de steen.”, zegt de ingenieur, “Deze steen laat niets door.” De steen is wit en groot. Het bouwbedrijf wilde hem bouwen op los zand maar in al onze onkunde kwamen we langs en stelde vragen. Vragen die de plaats van de muur deed schuiven.De muur van mensen zoekt antwoorden op de vragen. Stamelend, stotterend, vertalend, te luid, zonder woorden zijn er kreten van binnenuit.

Het regent, de grote witte stenen laten vocht door en het dak lekt. “De beste stuurlui staan aan wal.”, roept een verantwoordelijke van de bouwput achter mijn theater en laat het stof waaien in de straat van mijn theater.

Als de avond valt en de stilte stopt met denderen in de straat van mijn theater keert de zuurstof terug en kijk ik graag naar de straat van mijn theater.

 

Ik krijg telefoon in de auto. Een man zegt me dat mijn vrouw en jongste zoon zijn aangereden door een auto. Ze zijn met hun fiets enkele meters meegesleurd door een man die niet wist hoe zijn automatische versnellingsbak werkte en de gaspedaal voor de rem aanhield en worden op datzelfde ogenblik meegenomen door een ambulance. Ik geef gas bij en rijd tegen hoge snelheid naar het kruispunt waar het ongeval gebeurde. Het is op enkele meters van ons huis. Er staan nog wat mensen op een hoekje te wijzen. Iemand heeft de fiets naar ons huis gebracht. Mijn oudste zoon belt me op om te zeggen dat er bloed op het kinderstoeltje van mijn jongste zoon hangt.

Op een andere hoek staat een grijze man, hij roept me toe dat hij het zo niet heeft gewild. Dat hij in de war was. Ik wil hem doodknijpen maar draai me om en spurt naar het ziekenhuis waar mijn vrouw en zoontje op de spoedafdeling zitten. Mijn wereld zakt onder mijn voeten weg bij elke stap die ik zet en ik beloof mezelf hoe ik alles maar dan ook alles zal opgeven om bij hen te zijn. In het ziekenhuis zitten ze beide in een kamer en houden elkaar heel stevig vast.  Ze zijn geschrokken en hebben lichte kneuzingen en een paar schrammen.

Mijn vrouw vertelt hoe een Marokkaanse man ons zoontje van onder de auto heeft gesleurd. Hoe ons zoontje op enkele millimeters van het voorwiel door deze man gered werd. Er bestaan engelen. Enkele dagen later staat de grijze man met een doos pralines voor de deur. Mijn vrouw blijft vriendelijk. Zijn kleindochter wil met me op de foto, een weddenschap met haar vriendinnen. Ik sta dwaze gezichten te trekken met de kleindochter van de man die me bijna het dierbaarste op deze wereld had ontnomen.

Maar er bestaan engelen dat weet ik nu zeker en ze wonen niet ver van mijn huis. Ik zwaai er naar als ik voorbij….