Mijn denkbeeldige vader is de maan, volgens mijn zoon Arthur, die soms als een lijn en dan weer helemaal rond aanwezig is.

Mijn denkbeeldige vader was de man die alles was toen ik een kind was.

Hij was de tramchauffeur die me naar de stad bracht maar ook alle mensen die afstapten.

Mijn denkbeeldige vader was ook de zwerver in de doos aan de halte Opera. En hij was alle acteurs, ook die van E.T.

Met mijn denkbeeldige vader had ik gesprekken over wat ik later wilde worden in dit leven en hij nam me dan bij de hand en we lachten denkbeeldig wat af.

Mijn denkbeeldige vader moedigde me aan als mijn hart sneller begon te slaan.

Mijn denkbeeldige vader veegde mijn tranen weg en zat naast me in de klas. Hij knipoogde als ik weer niet wist wat de meester aan me vroeg omdat we net een denkbeeldig gesprek hadden.

Mijn denkbeeldige vader was erbij toen ik bij mijn moeder in bed kroop om haar te troosten toen hij besloten had nooit meer terug te komen.Hij stond in de hoek van de kamer en keek naar mij.

Mijn denkbeeldige vader besliste mee dat ik kok zou worden en vroeg me tijdens m’n fietstochten naar de school wat ik vandaag weer voor lekkers zou maken.

Mijn denkbeeldige vader wist dat ik me niet goed kon concentreren zolang hij denkbeeldig was.

Mijn denkbeeldige vader liep met me door de vele gangen van dit leven.

Nu ben ik zelf zo oud als mijn denkbeeldige vader was.

Advertenties

De dood zit in mijn theater. Hij komt me zeggen dat hij met dit hart wel honderd jaar zal worden. De dag nadien is hij dood. Zijn zus vraagt of ik iets wil zeggen op zijn begrafenis want jullie zijn zijn echte familie. Op zijn begrafenis spreek ik over theater en de dood en het altijd onverwachte.

De dood zit in mijn theater. Het is m’n eigen vader. Hij is niet in mijn theater geweest. Hij maakt zich zorgen of ik van alle mensen op deze wereld dat wel zou kunnen, een theater leiden. Op zijn begrafenis zitten al mijn medewerkers er en laat ik één van mijn acteurs spreken over de wilskracht in dit leven.

De dood zit in mijn theater. Hij bevindt zich in fase 4 van zijn kanker en hij heeft net de liefde ontdekt. In twijfels over hoe je met de borderline van het leven om moet gaan vond hij zijn thuis in mijn theater. Maar de dood loert ook weer om de hoek. De dokters zullen het levenseinde verzachten. En de dood leeft in mijn theater.

JJ kan niet naar zee. JJ leeft in armoede met zijn moeder en zussen in de Kempen.  JJ wil dansen maar de school van JJ zegt dat hij naar een vakschool moet om een beroep te leren. Dansen staat niet in de lijst van de vakschool. JJ is niet goed met cijfers en hoe hard ik ook probeer om JJ aan het dansen te krijgen, hij zal naar een vakschool gaan. Kansarmoede.

JJ’s oma laat hem dansen in HETGEVOLG. Hij blijft bijna altijd bij z’n oma. Ze wil hem een beter leven dan het haare schenken. Maar hij moet naar de vakschool omdat hij volgens zijn lagere school onhandelbaar is. “Hij kan niet stil zitten en heeft een ongepaste woordgebruik naar zijn medeleerlingen toe.”, stond op zijn rapport. In mijn gedachten hoop ik dat JJ een steen is die zich niet laat vastknopen en later zijn plek vindt op de steile rots van kansen.

Als ik met JJ naar de plaatselijke dansschool ga moet hij lidgeld betalen en schrijven ze balletschoenen voor en een gepaste outfit. JJ noch zijn oma hebben daar centen voor. Met de Uitpas kan hij korting krijgen op de dansles. Via deze Uitpas kunnen de grote en kleine mensen die in armoede leven voor slechts €2 naar voorstellingen. Zou de Vlaamse dame Cultura weten dat €2 veel geld is als je van €10 per week moet rondkomen?

Een cultuurfunctionaris presenteert met trots zijn nieuwe seizoensfolder. “Ik ga ook arme mensen uitnodigen!”, lacht hij in debatmodus. Hij laat de folder in hun brievenbus steken.Als ik hem zeg dat hij zelf moet aanbellen en zichzelf voorstellen en vertellen waarom hij doet wat hij doet roept hij dat dat toch onmogelijk is en dat hij een cultuurfunctionaris is en geen participatiefunctionaris. Participatie…het hoge woord is er uit.

In de dramapels van de Vlaamse dame Cultura is participatie een grap met vlooien waar niemand weet hoe ze duurzaam met mensen uit de kansengroepen om moeten.

De stijgende armoede in ons landje is net een kracht die van ons allen een grote weerbaarheid vraagt. Uit deze weerbaarheid ontstaat straks een nieuwe creativiteit die onbetaalbaar is. Investeren in mensen in een goudmijn.

JJ wil dansen, moet verder met dat lijf dat niet wil stil zitten op een vakschool. Waar zijn bewegingen hopelijk niet tussen de schroefbank zullen eindigen.  Zijn oma zal hem naar HETGEVOLG blijven smokkelen om dat uurtje per week te bewegen zonder dat iemand hem gek verklaart.

Mijn bakker gaat op pensioen. Natuurlijk is het niet alleen mijn bakker. Aan de zondagse rij tot voorbij de hoek te zien was het de bakker voor heel veel mensen. Deze zondag leek het op een bakkerse begrafenis. De rij was dubbel zo lang. Ik weigerde in die rij te gaan staan en kwam later terug. Op het moment dat alles weg was.  Afscheid nemen van mijn bakker!  Het afscheid was belachelijk emotioneel. Ik vroeg of er nog een croissant was en er sprong een traan uit mijn ogen. Want ik besefte dat deze bakker en ik al heel lang samenzijn en dat hij  – zonder dat hij het wist – erbij was toen ik voor het eerst ging samenwonen in de Ergo-de Waellaan. We deden alsof we volwassen waren en hij was onze bakker.

Zonder dat hij het wist was hij erbij toen ik voor het eerst en per ongeluk een huis kocht op de Muggenberglei. Maar niet ver van deze bakkerij. Zonder dat hij het wist was hij erbij toen mijn oudste zoon veel en veel te vroeg geboren werd en ik heel vroeg aan zijn deur stond nadat ik een nacht naar de machines had gekeken die mijn zoon in leven hielden. Mijn zoon heeft er dan ook een ferme koffiekoek met crème – verslaving aan over gehouden.

Zonder dat hij het wist was hij erbij toen mijn vrouw zei dat ze niet meer van me hield. Ik stortte me op de pralines uit zijn bakkerij en hoopte dat de zondagse verzoeningsbrunches ons terug dichter bij elkaar zouden brengen maar het mocht niet zijn. Zonder dat hij het wist verhuisde hij mee naar een nieuw huis waar ik mijn Nederlandse vrouw het hoofd op hol deed slaan met een warme bakkerij, zo vlakbij. In de krant liet ik noteren dat hij de beste bakker was van ver en dichtbij. Mijn Nederlandse schoonouders kon ik overtuigen van de keuze van hun dochter – samen gaan met een veel te ouwe vent met kind – door hen pralines van jou te geven.  Bakker, je was erbij toen ik weer vader werd en op alle verjaardagen van mijn kinderen en als mijn moeder zei dat ze bij elke hap tien kilo bijkwam! En nog zoveel meer.

En dus sprong er een traan uit mijn ogen.De smaak van de herinnering. Ik betaalde en we lachten naar elkaar. “Merci voor de schone jaren, bakker!” Ik draaide me om. Het is voorbij, lieve bakker van mij!

Merci!

(Voor bakkerij Verslegers – Stenenbrug Borgerhout)

Achter mijn hoek staat een huis waar alleen mannen wonen die wodka en pils drinken van het merk Argus. Voor de dag doorbreekt zitten ze in busjes richting bestemmingen waar wij niet willen zijn. Het zijn slaven die werk in hun handen dragen om het hopelijk straks beter te hebben. Maar beter voor wie? Als de dag tussen hond en wolf hangt rusten ze op hun terrasjes of ijsberen door de straat alsof ze aan het oefenen zijn hoe ze straks hun geliefde partner en kinderen terug in hun armen zullen sluiten.

Er is een tijd geweest dat ik ook mijn vader zag oefenen in hoe hij thuis binnen komen kon. Hij kwam niet binnen. Hij draaide zich steeds weer om achter het troebel glas van de keukendeur en verdween. Op een dag verdween hij voorgoed en kwam nooit meer binnen. Toen hij drie jaren geleden overleed zag ik hem in zijn oneindige doodstrijd achter de keukendeur staan en zich weer omdraaien. We hadden het afscheid nemen moeten oefenen. Net zoals het liefhebben. Dat deden we niet.

In ’86 kwamen de Rode duivels terug van Mexico. Ze werden als helden onthaald. Mijn moeder had van de Joodse vrouw waar ze bij poetste gehoord dat de Duivels naar de Grote markt in Antwerpen kwamen.  Met ons tweetjes stonden we uren vooraan aan de dranghekken, zwaaiend met een Vlaams fietsleeuwtje omdat we geen geld hadden voor een Belgische vlag. En toen de Duivels dan eindelijk in open wagens de grote markt kwamen opgereden liepen ze recht het stadhuis in. Behalve één; Jean – Marie Pfaff. Hij kwam recht op ons af en stak zijn beide reuzehanden boven mijn hoofd uit. Ik nam zijn duim vast en voelde een onmetelijke kracht en energie, hij was wat hij was en dat was goed genoeg.  Mijn moeder en ik stonden te huilen als kleine kinderen, niet omdat hij een held was maar omdat hij een man was die deelde wat hij had, hij was wat hij was. En dat was goed genoeg.

In het werk dat ik deel ontmoet ik elke dag mensen die zijn vergeten hoe het is om lief te hebben of datgene in de ogen te kijken waar je zielsveel van houdt. Ze zijn vergeten dat het goed is om te zijn wie je bent. Dat je niet achter de keukendeur moet blijven in een wurggreep van een job. Liefhebben vanuit wie je bent is meer dan fulltime job die ons allemaal heel goed zou doen.

Het laatste gesprek dat ik met mijn vader had ging over de pincode van zijn mobiele telefoon. Hij kende de code niet meer en was er zich in aan het opwinden. Het leek alsof die hele zoektocht naar die code moest verdoezelen dat hij net in zijn broek had gescheten toen we bij hem op bezoek kwamen. De verpleegster liep  buiten, “mijnheer Perceval heeft in zijn bed gekakt.”. Toen we binnen kwamen zat mijn vader gegeneerd, net gewassen maar alle trots verloren opzoek naar de pincode van zijn telefoon. Zijn kleinzonen, mijn zonen, zittend op zijn bed, keek hij met glazen ogen aan en kuste hij met zijn lippen ver uit gestoken. In die zoektocht naar die pincode zat het verhaal van zijn leven wat een verhaal was van laten – we – het –  er – maar – niet –  over – hebben. Een verhaal waar hij zijn hele leven tegen vocht. Een verhaal van onverbiddelijk onrecht die hem en zijn familie werd aangedaan. “ En ik kon er niks aan doen….”, was een mantra in zijn leven. In de zoektocht naar de pincode zat het verhaal over hoe hij – een goed student – vernederd werd door de priester – leraar in het college in Leopoldsburg omdat hij niet het juiste schriftje bij zich had en toen besloot nooit meer terug te keren naar dat college. Mijn vader, die ons opdroeg onze eigen weg te gaan en steeds voor die onafhankelijkheid te vechten verloor zich in de pincode en de hand van mijn vrouw. Die hij bij ons afscheid heel lang vasthield terwijl hij haar naam prevelde. Die avond kreeg hij een zware hersenbloeding en ik sprak niet meer met hem. Het zoeken van de pincode was een les in afscheid nemen. In de durf om afscheid te nemen. Zonder codes.

Ik wilde een fiets. De mijne was in de lucht gekatapulteerd toen ik tijdens mijn persoonlijke tour de France in onze woonwijk werd aangereden door een auto.

In de zomer zocht ik mijn vader op in  Limburg en logeerde bij zijn zussen, tante Blondine en tante Maria. Mijn vader liet me bij hen achter terwijl hij zelf in Antwerpen ging werken. ”Misschien krijg ik volgende week wel verlof en dan gaan we samen op avontuur!”, zei hij dan. Hij kreeg nooit verlof als ik bij zijn zussen was. Tante Blondine woonde in Bilzen en had een koersfiets staan van haar zoon waarmee ik dag in dag uit de Kattenberg op en af fietste. Tante Maria woonde met twee nonkels in Beringen en was voorzitter van de PVV-dames. Tante Maria had een damesfiets waarmee ik langs het Albertkanaal fietste, tot aan de vervallen boerderij waar m’n vader met me wilde gaan wonen en terug. Tante Maria organiseerde ook Kienavonden. Kienen was bij mijn tante Maria een soort Bingoavond in een rokerige zaal waarbij je alle moed bij elkaar moest verzamelen om “Kien” te roepen als je een paar rijen de goeie cijfers had waardoor je kans maakte op een prijs. Mijn nonkel Jef was penningmeester op deze avonden en controleerde dan de cijfers en gaf na afloop de prijzen mee. En toen was er een fiets, een damesfiets met zo’n speciaal damesfietszadel. Iedereen speelde voor de fiets en het leek alsof het geluk aan mijn kant van de rokerige tafel zat ; ik had alle cijfers goed. Ik ging “Kien” roepen en met deze fiets naar huis gaan. Ik deed wat ik dacht te moeten doen en riep.

Een golf van verontwaardiging maakte zich meester van de zaal.Dat dat niet kon! Wie ik wel niet dacht dat ik was zomaar Kien te roepen!? Dat dat zeker doorgestoken kaart was omdat ik het neefje van Maria was, voorzitster van de PVV – dames!

Mijn nonkel riep me bij hem met mijn kaart en zag algauw dat mijn gil louter en alleen was ingeven door mijn verlangen naar een fiets. Het was ne foute Kien. De avond ging verder en ik mocht niet langer meespelen. Buiten wachtte een lange avond waarbij ik mijn moeder miste. Pas als iedereen zijn mixer of friteuse mee naar huis had genomen gingen mijn tante en nonkel ook naar huis. En daar stond mijn nonkel Jef met de fiets. Hij had hem voor mij gekocht van de dame die hem gewonnen had.

En ik fietste langs het Albertkanaal naar de vervallen boerderij naast het kerkhof waar mijn vader met me wilde gaan wonen. “Als ik ooit eens tijd heb gaan we daar wonen.”,  zei hij dan. We hebben dat nooit gedaan.