Achter mijn hoek staat een huis waar alleen mannen wonen die wodka en pils drinken van het merk Argus. Voor de dag doorbreekt zitten ze in busjes richting bestemmingen waar wij niet willen zijn. Het zijn slaven die werk in hun handen dragen om het hopelijk straks beter te hebben. Maar beter voor wie? Als de dag tussen hond en wolf hangt rusten ze op hun terrasjes of ijsberen door de straat alsof ze aan het oefenen zijn hoe ze straks hun geliefde partner en kinderen terug in hun armen zullen sluiten.

Er is een tijd geweest dat ik ook mijn vader zag oefenen in hoe hij thuis binnen komen kon. Hij kwam niet binnen. Hij draaide zich steeds weer om achter het troebel glas van de keukendeur en verdween. Op een dag verdween hij voorgoed en kwam nooit meer binnen. Toen hij drie jaren geleden overleed zag ik hem in zijn oneindige doodstrijd achter de keukendeur staan en zich weer omdraaien. We hadden het afscheid nemen moeten oefenen. Net zoals het liefhebben. Dat deden we niet.

In ’86 kwamen de Rode duivels terug van Mexico. Ze werden als helden onthaald. Mijn moeder had van de Joodse vrouw waar ze bij poetste gehoord dat de Duivels naar de Grote markt in Antwerpen kwamen.  Met ons tweetjes stonden we uren vooraan aan de dranghekken, zwaaiend met een Vlaams fietsleeuwtje omdat we geen geld hadden voor een Belgische vlag. En toen de Duivels dan eindelijk in open wagens de grote markt kwamen opgereden liepen ze recht het stadhuis in. Behalve één; Jean – Marie Pfaff. Hij kwam recht op ons af en stak zijn beide reuzehanden boven mijn hoofd uit. Ik nam zijn duim vast en voelde een onmetelijke kracht en energie, hij was wat hij was en dat was goed genoeg.  Mijn moeder en ik stonden te huilen als kleine kinderen, niet omdat hij een held was maar omdat hij een man was die deelde wat hij had, hij was wat hij was. En dat was goed genoeg.

In het werk dat ik deel ontmoet ik elke dag mensen die zijn vergeten hoe het is om lief te hebben of datgene in de ogen te kijken waar je zielsveel van houdt. Ze zijn vergeten dat het goed is om te zijn wie je bent. Dat je niet achter de keukendeur moet blijven in een wurggreep van een job. Liefhebben vanuit wie je bent is meer dan fulltime job die ons allemaal heel goed zou doen.

Advertenties

Het laatste gesprek dat ik met mijn vader had ging over de pincode van zijn mobiele telefoon. Hij kende de code niet meer en was er zich in aan het opwinden. Het leek alsof die hele zoektocht naar die code moest verdoezelen dat hij net in zijn broek had gescheten toen we bij hem op bezoek kwamen. De verpleegster liep  buiten, “mijnheer Perceval heeft in zijn bed gekakt.”. Toen we binnen kwamen zat mijn vader gegeneerd, net gewassen maar alle trots verloren opzoek naar de pincode van zijn telefoon. Zijn kleinzonen, mijn zonen, zittend op zijn bed, keek hij met glazen ogen aan en kuste hij met zijn lippen ver uit gestoken. In die zoektocht naar die pincode zat het verhaal van zijn leven wat een verhaal was van laten – we – het –  er – maar – niet –  over – hebben. Een verhaal waar hij zijn hele leven tegen vocht. Een verhaal van onverbiddelijk onrecht die hem en zijn familie werd aangedaan. “ En ik kon er niks aan doen….”, was een mantra in zijn leven. In de zoektocht naar de pincode zat het verhaal over hoe hij – een goed student – vernederd werd door de priester – leraar in het college in Leopoldsburg omdat hij niet het juiste schriftje bij zich had en toen besloot nooit meer terug te keren naar dat college. Mijn vader, die ons opdroeg onze eigen weg te gaan en steeds voor die onafhankelijkheid te vechten verloor zich in de pincode en de hand van mijn vrouw. Die hij bij ons afscheid heel lang vasthield terwijl hij haar naam prevelde. Die avond kreeg hij een zware hersenbloeding en ik sprak niet meer met hem. Het zoeken van de pincode was een les in afscheid nemen. In de durf om afscheid te nemen. Zonder codes.

Ik wilde een fiets. De mijne was in de lucht gekatapulteerd toen ik tijdens mijn persoonlijke tour de France in onze woonwijk werd aangereden door een auto.

In de zomer zocht ik mijn vader op in  Limburg en logeerde bij zijn zussen, tante Blondine en tante Maria. Mijn vader liet me bij hen achter terwijl hij zelf in Antwerpen ging werken. ”Misschien krijg ik volgende week wel verlof en dan gaan we samen op avontuur!”, zei hij dan. Hij kreeg nooit verlof als ik bij zijn zussen was. Tante Blondine woonde in Bilzen en had een koersfiets staan van haar zoon waarmee ik dag in dag uit de Kattenberg op en af fietste. Tante Maria woonde met twee nonkels in Beringen en was voorzitter van de PVV-dames. Tante Maria had een damesfiets waarmee ik langs het Albertkanaal fietste, tot aan de vervallen boerderij waar m’n vader met me wilde gaan wonen en terug. Tante Maria organiseerde ook Kienavonden. Kienen was bij mijn tante Maria een soort Bingoavond in een rokerige zaal waarbij je alle moed bij elkaar moest verzamelen om “Kien” te roepen als je een paar rijen de goeie cijfers had waardoor je kans maakte op een prijs. Mijn nonkel Jef was penningmeester op deze avonden en controleerde dan de cijfers en gaf na afloop de prijzen mee. En toen was er een fiets, een damesfiets met zo’n speciaal damesfietszadel. Iedereen speelde voor de fiets en het leek alsof het geluk aan mijn kant van de rokerige tafel zat ; ik had alle cijfers goed. Ik ging “Kien” roepen en met deze fiets naar huis gaan. Ik deed wat ik dacht te moeten doen en riep.

Een golf van verontwaardiging maakte zich meester van de zaal.Dat dat niet kon! Wie ik wel niet dacht dat ik was zomaar Kien te roepen!? Dat dat zeker doorgestoken kaart was omdat ik het neefje van Maria was, voorzitster van de PVV – dames!

Mijn nonkel riep me bij hem met mijn kaart en zag algauw dat mijn gil louter en alleen was ingeven door mijn verlangen naar een fiets. Het was ne foute Kien. De avond ging verder en ik mocht niet langer meespelen. Buiten wachtte een lange avond waarbij ik mijn moeder miste. Pas als iedereen zijn mixer of friteuse mee naar huis had genomen gingen mijn tante en nonkel ook naar huis. En daar stond mijn nonkel Jef met de fiets. Hij had hem voor mij gekocht van de dame die hem gewonnen had.

En ik fietste langs het Albertkanaal naar de vervallen boerderij naast het kerkhof waar mijn vader met me wilde gaan wonen. “Als ik ooit eens tijd heb gaan we daar wonen.”,  zei hij dan. We hebben dat nooit gedaan.

 

“Wat u doet zou onze parochianen wel eens tegen de borst kunnen stoten!”Voor me staan drie mannen van een kerkfabriek in een klein Vlaams dorp. Ik heb hen net uitgelegd dat ik met mensen werk; mensen in armoede, mensen op de vlucht, mensen met een beperking, mensen met een psychische kwetsbaarheid, jongeren en kinderen, anderstalige nieuwkomers…. en dat we met HETGEVOLG al deze mensen een stem geven en hun zelfvertrouwen laten groeien en goesting geven om een job te zoeken omdat ze ontdekken waar ze van dromen of waar ze goed in zijn. De drie mannen zoeken een nieuwe bestemming voor hun kerk die veel te groot is voor hun kleine Vlaamse dorp en nog veel groter voor het handjevol gelovigen die de kerk bezoeken. Maar werken met mensen ziet alvast één van de kerkfabriekers niet zitten.”Wat u doet zou onze parochianen wel eens tegen de borst kunnen stoten!”. (Zucht) En de kerken staan leeg, lieve heer. Want het is niet wij tegen zij, lieve heer. Het is wij allemaal samen, lieve heer!

Cultuurhuizen zoeken naarstig naar mensen die “nog nooit naar theater geweest zijn”. Vanop een wolkje laten ze hun advertentie met deze oproep naar beneden dwarrelen in de hoop dat mensen die nog nooit naar theater zijn geweest zich openbaren. Hoe gaat dat dan:”Hallo, ik ben nog nooit naar theater geweest!” Zegt de ander;”Proficiat, dit is ons aanbod, dit doen wij allemaal…(stilte)….” Zou het bij de cultuurhuizen al zijn opgekomen dat ze binnen en vooral buiten hun bureeltijd de straat op moeten en mensen aanspreken en deel laten zijn van hun organigram onder het vakje “mens” of “arme sloeber”. (Zucht )

En de zalen om te spelen worden schaars, lieve heer! Want wat doe je in het gemiddelde Vlaamse dorp met een schouwburg die veel te groot is voor dat dorp en zijn inwoners? De inwoners hun trots geven door ze te laten participeren met wie ze zijn? Mensen een stem geven? Hun talenten ontwikkelen? Of houden we ze gesloten voor de zeldzame zanger, de jaarlijkse monoloog of de herinnering aan hoe het vroeger was?

“We zien elkaar bijnakort.”, schreef hij. De dag nadien was hij van z’n bed gelicht en we hebben elkaar niet terug gezien. Bijnakort zal er nu niet zijn. Ook op zonnige dagen stuurt deze maatschappij getalenteerde mensen weg. Terwijl we discussiëren over handen geven en mensen geld verdienen met beweging stil te zetten is er een achterdeur aan zijn onze wereld waar we mensen stilletjes buiten duwen. Bijnakort kon prachtig piano spelen. Hij droomde van een wereld waar hij dokter mocht zijn en piano spelen. Maar een bureeltje in Brussel dat vanzichzelf denkt dat het goed ingelicht is over de situatie in het land van Bijnakort stuurt hem terug omdat zij weten goed ingelicht te zijn dat Bijnakort gewoon een andere weg moet nemen om geen kogel door zijn hoofd te krijgen. En dus sturen ze hem weg. Op dit soort zonnige dagen heb ik zin om te kappen met alles waar ik mee bezig ben en als chauffeur met een Lijnbus te rijden. Mensen van punt a naar punt b brengen. Duidelijk. Niks emotioneel.  Mijn prachtige vrouw zei me dat ik dat niet lang zou vol houden en dat ik dan dingen begin te organiseren die niet thuis horen op een bus; zangstondes en workshops over hoe je elkaar kan begroeten. Niet zoals in het echte leven met schuddende handen. Ja, da’s waar, dacht ik. Ze heeft gelijk, die vrouw van me.

Wetend dat Bijnakort ver van hier boven een stuk van de wereld zweeft en naar de lichtjes kijkt van de weg die hij beter niet kan nemen weet ik ook dat het bijzonder fijn was om Bijnakort te ontmoeten. En dat Bijnakort soms ook later kan zijn.

Of ik vluchtelingen opvang? Of ik het zou riskeren subsidies kwijt te raken? Een jaar geleden kreeg ik deze vragen. HETGEVOLG werkt dag in dag uit met anderstalige nieuwkomers.

Ze werken aan hun zelfbeeld want pas als je jezelf de moeite vindt,  pas wanneer er voldoende vertrouwen is opgebouwd, kan er gestart worden met meer doelgerichte ‘vorming’.

Allemaal hebben zij op de een of andere manier een kwetsuur opgelopen waardoor zij een overwinningsstrategie hebben ontwikkeld die zich uit in een vorm van afweer, een blokkering van hun zelfvertrouwen waardoor zij uiterlijk niet ‘passen’ in ons maatschappijbeeld.

HETGEVOLG realiseert dag in, dag uit, het hele jaar door, ondertussen al vier jaar lang dit basisvertrouwen via de kunsten.

“Theater is een veilige haven.”, zeg ik bij elke nieuwe start in onze organisatie. Na de inval deze week bij onze collega’s van GLOBE AROMA is de veilige haven flink gekwetst.

Ook in het eigen kunstenveld varen we regelmatig tegen het onvermogen van het menselijk handelen. Zo is er een agent van een bekende actrice die de actrice afraadt bij HETGEVOLG te spelen omdat “spelen met die vluchtelingen” niet door haar publiek geapprecieerd zou worden. Een andere actrice wil niet bij HETGEVOLG spelen omdat ze het gevoel heeft dat het publiek niet voor haar zou recht veren maar voor de jongen met de beperking. Ze sloeg de deur dicht met de historische woorden; “Hij zal nooit Othello kunnen spelen!”.

En zo vechten we elke dag om mensen terug hun mens – zijn te laten hervinden.

“Wij vierden nooit verjaardagen, van wat hadden we dat moeten doen?”. Mijn moeder vorige week op het verjaardagsfeest van mijn oudste zoon. En het was zo. We vierden nooit verjaardagen. We vierden nooit feest. Ik ging naar de feestjes van mijn neven en van vrienden zonder cadeau want daar hadden we geen centen voor. In het vierde studiejaar was ik het beu nooit een feest te geven en nodigde mijn hele klas uit op mijn eerste theatervoorstelling. Ze moesten geen cadeau meebrengen! Het was in de periode van Pasen en ik nodigde mijn hele klas uit. Ze zouden toch niet komen. Maar ze stonden er allemaal; mijn hele klas en juffrouw Verwimp. En ze betaalden met chocolade eieren! Dat deden ze zomaar omdat ze het fijn  daar te zijn. Op onze zolder speelde ik toen mijn eerste stuk met de titel; “Auw, mijn been!”. Het ging over een jongetje dat werd omvergereden door een auto en vlak naast het trottoir neerkwam. Een paar maanden daarvoor had een auto me in het echte leven me van mijn fiets geschept in een flauwe bocht. De buurvrouwen durfde mijn moeder pas te gaan halen toen de ambulance daar was en ik mijn ogen weer opendeed. De voorstelling duurde niet lang. Nadat het hoofdpersonage geraakt was riep ik; “Auw mijn been!” en bleef voor dood liggen. Daarna speelde ik nog allerlei variaties op gekende sprookjes die ik nooit had gelezen maar tot leven kon brengen “van horen zeggen”. En er was chocola, heel veel chocola en er was een onverwacht feest. Meer onverwacht feest.