“We zien elkaar bijnakort.”, schreef hij. De dag nadien was hij van z’n bed gelicht en we hebben elkaar niet terug gezien. Bijnakort zal er nu niet zijn. Ook op zonnige dagen stuurt deze maatschappij getalenteerde mensen weg. Terwijl we discussiëren over handen geven en mensen geld verdienen met beweging stil te zetten is er een achterdeur aan zijn onze wereld waar we mensen stilletjes buiten duwen. Bijnakort kon prachtig piano spelen. Hij droomde van een wereld waar hij dokter mocht zijn en piano spelen. Maar een bureeltje in Brussel dat vanzichzelf denkt dat het goed ingelicht is over de situatie in het land van Bijnakort stuurt hem terug omdat zij weten goed ingelicht te zijn dat Bijnakort gewoon een andere weg moet nemen om geen kogel door zijn hoofd te krijgen. En dus sturen ze hem weg. Op dit soort zonnige dagen heb ik zin om te kappen met alles waar ik mee bezig ben en als chauffeur met een Lijnbus te rijden. Mensen van punt a naar punt b brengen. Duidelijk. Niks emotioneel.  Mijn prachtige vrouw zei me dat ik dat niet lang zou vol houden en dat ik dan dingen begin te organiseren die niet thuis horen op een bus; zangstondes en workshops over hoe je elkaar kan begroeten. Niet zoals in het echte leven met schuddende handen. Ja, da’s waar, dacht ik. Ze heeft gelijk, die vrouw van me.

Wetend dat Bijnakort ver van hier boven een stuk van de wereld zweeft en naar de lichtjes kijkt van de weg die hij beter niet kan nemen weet ik ook dat het bijzonder fijn was om Bijnakort te ontmoeten. En dat Bijnakort soms ook later kan zijn.

Advertenties

Of ik vluchtelingen opvang? Of ik het zou riskeren subsidies kwijt te raken? Een jaar geleden kreeg ik deze vragen. HETGEVOLG werkt dag in dag uit met anderstalige nieuwkomers.

Ze werken aan hun zelfbeeld want pas als je jezelf de moeite vindt,  pas wanneer er voldoende vertrouwen is opgebouwd, kan er gestart worden met meer doelgerichte ‘vorming’.

Allemaal hebben zij op de een of andere manier een kwetsuur opgelopen waardoor zij een overwinningsstrategie hebben ontwikkeld die zich uit in een vorm van afweer, een blokkering van hun zelfvertrouwen waardoor zij uiterlijk niet ‘passen’ in ons maatschappijbeeld.

HETGEVOLG realiseert dag in, dag uit, het hele jaar door, ondertussen al vier jaar lang dit basisvertrouwen via de kunsten.

“Theater is een veilige haven.”, zeg ik bij elke nieuwe start in onze organisatie. Na de inval deze week bij onze collega’s van GLOBE AROMA is de veilige haven flink gekwetst.

Ook in het eigen kunstenveld varen we regelmatig tegen het onvermogen van het menselijk handelen. Zo is er een agent van een bekende actrice die de actrice afraadt bij HETGEVOLG te spelen omdat “spelen met die vluchtelingen” niet door haar publiek geapprecieerd zou worden. Een andere actrice wil niet bij HETGEVOLG spelen omdat ze het gevoel heeft dat het publiek niet voor haar zou recht veren maar voor de jongen met de beperking. Ze sloeg de deur dicht met de historische woorden; “Hij zal nooit Othello kunnen spelen!”.

En zo vechten we elke dag om mensen terug hun mens – zijn te laten hervinden.

“Wij vierden nooit verjaardagen, van wat hadden we dat moeten doen?”. Mijn moeder vorige week op het verjaardagsfeest van mijn oudste zoon. En het was zo. We vierden nooit verjaardagen. We vierden nooit feest. Ik ging naar de feestjes van mijn neven en van vrienden zonder cadeau want daar hadden we geen centen voor. In het vierde studiejaar was ik het beu nooit een feest te geven en nodigde mijn hele klas uit op mijn eerste theatervoorstelling. Ze moesten geen cadeau meebrengen! Het was in de periode van Pasen en ik nodigde mijn hele klas uit. Ze zouden toch niet komen. Maar ze stonden er allemaal; mijn hele klas en juffrouw Verwimp. En ze betaalden met chocolade eieren! Dat deden ze zomaar omdat ze het fijn  daar te zijn. Op onze zolder speelde ik toen mijn eerste stuk met de titel; “Auw, mijn been!”. Het ging over een jongetje dat werd omvergereden door een auto en vlak naast het trottoir neerkwam. Een paar maanden daarvoor had een auto me in het echte leven me van mijn fiets geschept in een flauwe bocht. De buurvrouwen durfde mijn moeder pas te gaan halen toen de ambulance daar was en ik mijn ogen weer opendeed. De voorstelling duurde niet lang. Nadat het hoofdpersonage geraakt was riep ik; “Auw mijn been!” en bleef voor dood liggen. Daarna speelde ik nog allerlei variaties op gekende sprookjes die ik nooit had gelezen maar tot leven kon brengen “van horen zeggen”. En er was chocola, heel veel chocola en er was een onverwacht feest. Meer onverwacht feest.

Mijn moeder wordt uit haar huis gezet. Het is geen sjiek huis, het is een flatje in een sociale woonwijk. Toen we er in 1983 gingen wonen beloofde ze me dat we er enkele weken later zeker zouden weg zijn. Het huis waar ik slechts bij hoge uitzondering een schoolkameraadje mee naartoe nam. We leefden er in het behang van de vorige bewoners. Op een dag kwam er een vriend per ongeluk op bezoek. Ik schaamde voor de kapotte lift, de smerige traphal die we samen beklommen, het geroep van de buren, de stank van gesloten werelden. Toen we boven kwamen liep hij recht naar het terras. “Wat hebben jullie hier een mooi uitzicht!”, zei hij die sindsdien echt een vriend is. We keken op groene weiden en in de verte zag je de haven. Op oudejaarsavond staat mijn moeder nog steeds in haar kamerjas op het terras te luisteren naar de zeeboten die in de verte het nieuwe jaar in blazen. In het veel te kleine keukentje hebben we veel gelachen om alles wat we zagen in de dagen die voorbij gingen. In dit gebouw was overleven de hartendrum van deze mensen hun bestaan. 180 gezinnen worden nu buiten gezet. Ze kunnen zich aanmelden voor een nieuwe flat maar die zullen pas veel later klaar zijn. De Duitse overbuurvouw van mijn moeder weet niet waar ze naartoe moet met haar drie kinderen. Binnen twee jaar moet het flatje leeg zijn. Mijn moeder geeft zichzelf geen twee jaar meer, zegt ze. “Ik ga wachten tot de bulldozers me uit mijn bed slagen.”.  Als ze haar ogen sluit ziet ze iedereen die hier de afgelopen dertig jaar gepasseerd is, zegt ze.  Zoals de buurvrouw die zichzelf ophing omdat haar kinderen van haar werden afgenomen. Een ijselijke gil die we samen nooit zullen vergeten. Of de conciërge die een wijkfeest wilde organiseren maar de mannen die de bakken bier bij nacht en ontij moesten bewaken hadden tegen de ochtend alles zelf opgedronken.  Dagen en dagen heb ik uit het keukenvenster op het zesde verdiep naar beneden gestaard tot mijn moeder thuis kwam na een dagje poetsen bij Joodse mensen aan het Antwerpse stadspark. Dan kwam ze thuis, gooide haar jas op de grond, deed haar tanden uit en gaf over. Toen ik later ging werken begreep ik dat er soms van die dagen zijn. Toen ik dertien was gingen we met de fiets rollen behangpapier en verf halen en hebben we het hele flatje met onw tweetjes geschilderd en behangen. Ookal was het schots en scheef, we waren zo blij dat de bloemen van de vorige bewoners van de muren waren. Ik heb er leren vechten tegen de vicieuze cirkel die dit leven soms is.  In “de blokken” was deze cirkel voor vele mensen onontkoombaar.  Straks zijn “de blokken” weg en mijn 85 jarige moeder ging gisteren aanbellen voor een serviceflat. “Ik ben geweest.”, zei ze, “Maar dat is allemaal zo klein en zonder uitzicht.”.

In mijn theaterhuis in Turnhout dansen nieuwe woorden elke dag naar een nieuwe betekenis. Dan schitteren de ogen van zowel de nieuwe – woord – uitvinder als die van de ik – geef – betekenis – aan – dit – woord – bedenker. Werelden komen samen. En altijd ergens zijn er woorden die een betekenis hebben die je niet opnieuw kan uitvinden. Dan sturen we de nieuwe – woord- uitvinders weg. Naar daar waar ze niets met hun nieuwe woorden kunnen. Waar niemand een betekenis geeft. Elke maand zie ik ze vertrekken en bedenk ik woorden om mensen te overtuigen van de kracht van nieuwe mensen. Maar omdat ze niet de juiste woorden hadden bij een interview in het kader van hun asielaanvraag worden ze teruggestuurd naar daar waar de woorden hen ontnomen worden. Onlangs zei iemand me dat een jongen best kon zeggen dat hij homo was en dat hij daarom niet terug kon naar zijn land. Dat ik hem dat moest zeggen omdat ik hem ken. Ik stond bij hem en hij begreep het woord homo niet. “Mannenliefde?”, probeerde ik en deed een karikaturale imitatie van twee kussende snorren. Hij schudde zijn hoofd. “Nee Stefan, ik ben eerlijk. Het is oorlog in mijn stad maar jullie weten niet wat oorlog is en daarom moet ik terug. Daar zijn geen woorden. Ik ben eerlijk!”. En inderdaad, als – niet – wetende – wat – oorlog – is liet hij me staan. Enkele dagen later moest hij aan zijn terugkeer beginnen en ik blaas mijn woorden naar de lijnen in de lucht.

Mees kwam op een papieren vogel ons leven binnen gevlogen.“Als je een half uur later was geweest was hij in den auto geboren!”, zei de vroedvrouw terwijl mijn prachtige vrouw na acht keer persen onze nieuwe zoon op de wereld bracht.

Een virus laat hem deze dagen vechten voor een nieuwe adem. Hij is nog zwak maar bij elke ademtocht die zijn weg zoekt van hoog naar diep voel ik hem groeien. Mijn Mees. We ademen mee.

Geboren in een week dat een Turnhoutse school abstractie maakt van mensen met een beperking. “Zo bedoelde we het niet…”, zeiden ze na vier dagen van overpeinzingen.“Teveel uitleg.”, schreven ze in een brief naar de ouders.Aan hun manier van denken mag je niet tornen want zij doen regelmatig “sociale projecten”. Dan gaan ze op bezoek bij mensen met een handicap of vluchtelingen.

In een tijd dat de wereld schreeuwt om inclusie behandelen ze nog steeds kwetsbare mensen zoals mijn vader het beschreef toen hij in de jaren dertig op school zat; “Niet te dicht bij komen, het is besmettelijk.”.

Meer dan ooit schreeuwt de wereld om hen die aan het verdrinken zijn te omarmen. Een“sociaal projectje”. Staat goed bij de kerstboom. Alle orthopedagogen en psychologen die zich hierover gebogen hebben spreken over een gemiste kans voor deze school en zijn leerlingen. Ondertussen is het windstil in de gangen van de jezuïeten.

In Valetta, culturele hoofdstad van Europa 2018, begrijpen ze het wel en nodigen ze ons uit om ons werk te komen voorstellen met voorstellingen en workshops.

Terwijl ik naar mijn Mees zit te kijken wil ik een huis op het strand. In een romantisch gedacht vliegt de verse lucht daar binnen en buiten en kan je zoveel adem kiezen als je wil. Dan nodig ik de hele wereld uit om een nieuwe adem te vinden. Mijn vader zaliger droomde ervan om met mij in een boerderijtje aan het Albertkanaal te gaan wonen. “Ik kook dan elke dag spaghetti.”, zei hij om zijn droom te verkopen.Het is er nooit van gekomen. Het boerderijtje staat er nog steeds. Mijn vader stierf drie jaar geleden in het Jessa ziekenhuis in Hasselt.

Vandaag schenkt datzelfde ziekenhuis € 7000 aan HETGEVOLG voor het Hart Achter de Muur. Dat geeft zuurstof. Adem om samen met andere te zoeken naar den asem van de wereld.

Gisteren kreeg ik een mail van een Turnhoutse school die met veel bravo’s naar Don Quichot bij HETGEVOLG waren komen kijken. Ze vonden het goed. Prachtig. Sterk vertolkt. Goeie tekst….

Maar in het tweede deel van de mail laten ze weten dat ze al hun eventuele schoolvoorstellingen niet laten doorgaan omdat en ik citeer letterlijk;

“Voor vele 14-jarige leerlingen kan dit stuk niet enkel bewondering opwekken voor de hoofdacteur, maar ook heel wat vervreemding.  Op zich zien we daar geen graten in.  We zien het eerder als onze opdracht om leerlingen net te begeleiden in het proces waarin ze stilaan stapjes verder leren zetten inzake inlevingsvermogen en appreciatie voor ook abstractere, minder laagdrempelige ervaringen.  Na overweging en uitgebreid overleg zijn we echter toch tot de conclusie gekomen dat met betrekking tot dit stuk de stap voor vele van onze nog jonge leerlingen te groot zal zijn.  We vrezen dan ook dat het eerder contraproductief kan werken. Onvoldoende begrip of inleving kan namelijk een zekere afkeer opwekken.”

En dit dus terwijl Don Quichot – in de versie die we nu spelen – een oproep is om mensen met een beperking als mens te behandelen. Een mens met dromen en verlangens die elke ochtend in een lichaam wakker wordt dat niet doet wat hij zou willen dat het doet. “Behandel me als een mens.”, loopt als een drum door deze voorstelling.

Dit terwijl we bij HETGEVOLG workshops geven, inleidingen, lesmappen om het allemaal tot de studenten te brengen. Nee, volgens de leerkracht kan het afkeer opwekken. Afkeer van wat vraag ik me dan af? Van het mensdom? Of van de kortzichtige wereld waar ook deze scholen een kunstmatige perfectie willen nastreven? Dat een school de voorstelling niet wil tonen omdat ze misschien te abstract is – kunst laat zich niet vatten ook niet door de wetende – daar kan ik begrip voor opbrengen  maar dat een school de voorstelling niet wil tonen omdat ze er vanuit gaan dat het inlevingsvermogen van hun leerlingen niet klaar is om naar een mens met beperking mét een boodschap te kijken maakt me kostmisselijk.

De hypocrisie die ze uitstralen met de Sint in hun voornaam is geen gebed waard maar een treurzang voor zoveel onwetendheid. Met HETGEVOLG zetten we onze tocht verder om mensen wiens verhaal dreigt onder te sneeuwen in een maatschappij  die niet luistert een stem te geven en dit te delen. Tot in het oneindige.