We rijden naar ons nieuwe huis in een dorp met dertig inwoners. Op enkele kilometers van dit dorp staat er een familie herten in het midden van een wei. Het zijn vijf herten die het nieuwe leven in mijn gezin aankondigen. We staan even stil en beide gezinnen kijken elkaar aan.  Onze jongste zoon wipt vrolijk op en neer in zijn stoel en roept dat zijn zusje ook bij hen in het bos is.  Vorig jaar trof een miskraam ons gezin en sindsdien heeft mijn jongste zoon een zusje dat hem op alle avonturen in zijn jonge leven begeleidt. Als één van ons thuis komt met een verhaal dan heeft Arthur’s zusje het harder en heviger meegemaakt maar steeds eindigend met een knipoog en kaka. De vijf herten schrikken van iets op, lopen het bos in  en laten ons viertjes achter. Wij rijden naar het huis waar de rust over onze lijven glijdt.

Een meisje met wilde rosse haren rijdt op een paard ons huis voorbij en vraagt of Arthur mee wil rijden. Hij wil zelf niet maar als ze weg rijdt zegt hij dat z’n zusje straks wel zal willen want dat zij altijd zin heeft om paard te rijden en….kaka.

Als ik ’s avonds met mijn oudste zoon op de heuvel sta zien we een hert in de verte naar ons kijken.

“In Turnhout staat er ook een hert op hun vlaggen, hé papa?”.

“Ja, als symbool van de jacht.”.

“Het lijkt alsof ze ook op u jagen, papa.”.

Het nieuwe leven schopt die avond voor het eerst tegen de buik van mijn vrouw. Het schopt zich het leven in terwijl een regen van vallende sterren de wensen van de hemel plukt.

Hij staat voor me. Hij staat recht. Normaal staat hij niet. Normaal  zit hij in zijn rolstoel. Een stoel die hem van punt a naar punt b brengt. Dat is normaal voor hem. Nu staat hij want hij heeft het over zijn passie; toneel spelen. Hij staat lang en met vuur. Na anderhalf uur zijgt hij weer in zijn rolstoel. “Ik voel geen pijn.”, zegt hij, “Als ik met toneel bezig ben voel ik geen pijn.”. Hij volgt zijn passie, hij speekt en spuwt  zijn woorden uit. Hij heeft passie in elke vezel van zijn lichaam. Hij staat boven elke gemiddelde Vlaming en toch plaatst diezelfde gemiddelde Vlaming hem in het bijzonder onderwijs. Samen roepen we dat dat niet kan! Dat dat een vergissing moet zijn!  Maar niemand hoort ons. En die ons horen gaan smalend voorbij want het is niet hun probleem dat hij op alle vlakken bijzonder is. Ik spreek met hem over straks, als dit gedaan is. “Wat gaat er dan gebeuren, Stefan?”. Ik weet het niet, Brent. Ik verstop me achter hier en nu en het doel dat we moeten halen. Dat we spelen. En dat iedereen dit gezien moet hebben. En dat kunnen we alleen maar hopen.

Na dagen heen en weer te zijn geslingerd tussen stenen en meningen landde vandaag de rust op mijn schouders door terug te gaan naar de plek waar ik vandaan kom.

Ik bezocht mijn moeder in haar sociaal appartementje en we keken samen naar hoe de tijd daar is blijven stil staan. We keken naar het behangpapier dat ik samen met haar op dertienjarige leeftijd tegen de muur had geplakt. Er was niks verandert. Het was vergeeld. We keken naar oude foto’s van toen ons gezin nog een gezin was maar zo diep failliet als gezin. Het eeuwig gevecht met geld; steeds te weinig en nooit genoeg. Het uitzicht op de haven. Ja, het uitzicht is heel mooi. Alles is er gebleven zoals ik er woonde. De kamers zijn nu leeg, de gordijnen gaan niet meer open. Ze betaalt voor de kabelaansluiting en kijkt naar die ééne zender die ze kan zien. Ze slaapt nog steeds in het bed dat mijn ouders kochten toen ze dertig duizend Belgische frank hadden gewonnen met de Nationale Loterij, zo vlak voor mijn geboorte. We stonden aan het plekje waar ik als kind altijd mocht zitten omdat dat het warmste plekje was.

Voorbij frituur Woopy – waar mijn vader me na elke echtelijke ruzie mee naartoe nam om zijn monoloog te houden op een veel te hoge barkruk  ging ik naar het kerkhof dat gauw een speeltuin zal zijn en bracht een laatste groet aan mijn grootouders en overgrootouders. In de bedding van deze plek heb ik mijn kinderjaren gesleten door emmers water aan te brengen terwijl mijn moeder met een stalen borstel tot bloedens toe het graf van haar moeder en vader schrobde.

Vanaf morgen gaat de zoektocht naar €300000 verder wetende dat het nest waar ik uitkom me voorzien heeft van sterke vleugels hier in de bron van mijn ontstaan.

 

Een koppel zit op een bankje, naast hen ligt een roddelboekje. Het lijkt alsof ze naspelen wat er in het boekje staat. Het bankje is hun exclusief domein.

Een dronken actrice spreekt over een jongen met een beperking terwijl hij er naast zit; “Hij kan toch nooit Othello spelen. Mensen zonder benen kunnen toch geen acteur worden! Waar gaan we naartoe?”.  Ze nipt van haar veel te volle glas bier en murmelt nog iets van “’t is toch waar…”. De jongen kijkt naar zijn benen die in de rolstoel hangen en durft niets te zeggen uit ontzag voor de actrice.

Een brief van de overheid meldt dat een aantal gezelschappen klacht hebben ingediend bij de Raad van State over de subsidieprocedure. Dat theaters elkaar geen bevechten is niet goed.

Het koppel op het bankje speelt verder. Aan de zonnebril bij regenweer te zien zijn ze ver van hier.

Ik zit met de jongen in de rolstoel voor een commissie die bepaalt of hij voor acteur mag studeren. Hij speelt een stuk en de tranen bengelen over hun kaken. Ze kijken elkaar aan en iemand die was aangeduid als woordvoerder raapt z’n moed bijeen; “Het spijt ons. Het dramalokaal is op het derde verdiep. En hij is anders dan de anderen, door zijn handicap zal hij zich geïsoleerd voelen. Dit mogen we hem niet aandoen.”.

De enkele keer dat ik met mijn ouders een daguitstap maakte naar de zee duwde ik zand op een hoop en noemde het kasteel. Een jongetje verderop bouwde iets met emmers en schoppen. Hij had vlaggetjes en papieren bloemen rond zijn constructie. De ouders en grootouders zaten er in ligstoelen en met de nodige voorraad rond. De broer van het jongetje kwam uit zee gelopen en duwde zich af op mijn berg zand die ik kasteel noemde.

Ik duwde het zand terug op een hoop en noemde het kasteel.

In een brief aan mijn theater schrijft de bouwheer die een nieuwe wijk bouwt aan de achterzijde van mijn theater dat hij niet kan graven omdat mijn theater oud is en hij het niet vertrouwd. En als hij toch zou graven dan zakt mijn theater weg, schrijft hij.  Hij schrijft dat ik moet zorgen dat mijn theater blijft staan.  Ieder voor zich in zijn kasteel.

Mijn moeder heeft een laatste wens; ze wil het schip waar ze als kind opgroeide nog één keer zien. De naam van het schip was Rosa en toen haar vader het verkocht en stierf op zijn laatste reis is het omgedoopt tot Ozelot. Ze geeft me haar laatste wens in een enveloppe waarop “laatste wens” geschreven staat.

“Ge zult het wel nooit niet vinden.”, zegt ze en ik klap mijn computer open. Enkele seconden later kijken we naar de tijdslijn van het schip waar ze opgroeide.

“De plek waar ik als kind speelde is er niet meer.”, wijst ze naar de foto van het schip dat Ozelot heet. Met haar bibberende vinger streelt ze het beeld.

“Het is er niet meer.”. Het schip is enkele jaren geleden in de schroothoop van deze wereld terecht gekomen. “Mijn kinderjaren zijn nu echt weg.”, zegt mijn 84-jarige moeder.

Ik print een foto van het schip uit die ze weg steekt. “Ik ga deze foto inkaderen.”. Mijn moeder kadert niks in tenzij je het haar met kader cadeau geeft. Haar laatste wens ging in vervulling.

“Ik wist niet dat het zo makkelijk zou zijn.”, lacht ze terwijl ze deur sluit. De vrouw die me op de wereld zette wil niet meer leven. Ze heeft er genoeg van. Ze wacht de tijd af dat ze naar haar zus en broers kan, haar moeder weer zien die in haar armen op het schip is gestorven en haar vader die op z’n laatste reis tussen wal en schip is verpletterd. Haar laatste wens.

Vandaag liep ik met mijn zoon door Antwerpen Noord. Als kind liep ik er vaak rond want mijn vader woonde er. Eerst in een kleine studio in de Van Maerlantstraat. Daar zag ik hem voor het eerst weer na een heel lange periode. Terwijl we zaten te praten kwam er zwarte rook van onder de deur. Mijn vaders overbuur had zijn studio in brand gestoken in de hoop er zelf het leven bij te laten. Het was mislukt, mijn vader belde de pompiers. Later woonde hij in de Van Aerdtstraat, over den Boots. Een café waar ik als kind enkel mannen met een lederen pet en een snor zag buiten komen. Toen dacht ik dat daar de Village People woonde, die hadden een hitje en daar stond ook zo eene bij met een snor en een lederen pet. Maar dien indiaan heb ik daar nooit gezien. Mijn vader woonde naast tante Ursula.

Tante Ursula en nonkel Julien waren binnenschippers. Ik heb me laten vertellen dat nonkel Julien tijdens zijn jaren op het schip geen druppel alcohol had aangeraakt. Maar toen hij aan de wal ging zag ik hem graag als concierge van het lelijkste gebouw in de Van Aerdtstraat met een pilske in zijn hand.

Mijn vader woonde boven een ouwe Rijnschipper. Hij was een jaar of tachtig, waste zich nooit en hield heelder conversaties tegen zijn televisietoestel.  De deur van deze man stond altijd open. Als ik als kind bij mijn vader kwam zag ik hoe hij in zijn zetel zat met zijn schippersklak op en af en toe heel hard kreunde. Een kreet die ik tot nu nergens anders heb gehoord. Mijn vader woonde daar in een gemeubelde kamer. Het moest een gezelligheid voorstellen maar het portret van de huilende clown verraadde dat ook hij hier niet gelukkig was. Mijn vader werkte hard in die tijd om niet daar te zijn, om geen gesprek aan te gaan. Liever observeerde hij het leven dat hem omringde en porde me als kind aan om zeker te zien wat hij zag en liefst meer. Ik herken het nu zo goed als ik met mijn zoon door deze wijk loop en hij zijn scherp observatievermogen gekoppeld aan zijn rijke fantasie afvuurt op wat hij ziet en me aanport te zien wat hij ziet.

Dertien was ik toen ik besloot naar de hotelschool te gaan. Een grap die we ons niet konden permitteren. Tante Jeanne betaalde deze opleiding en in ruil ging mijn moeder elke dinsdag poetsen bij tante Jeanne. Dan waren er zwarte muizekes als ze terug kwamen van de markt. En verse groenten en fruit. Tante Jeanne zorgde goed voor haar kleinste zus.

Zo fier dat ik op de hotelschool mocht beginnen nam ik  bus 28 in mijn koksuniform. Ik droeg mijn tok, messenset en klompen en zette me voor een oud vrouwtje die bij elke bocht naar me knipoogde. Ik wilde dat mijn vader dit zag. Ik stapte uit aan de Van Aerdtstraat. Op de hoek zaten altijd dezelfde stamgasten in café Smile. Misschien waren het steeds andere maar ze zagen er wel altijd hetzelfde uit. Ik belde aan bij mijn vader. Zijn huisbazin riep vanuit haar venster dat hij daar niet was terwijl haar tekkel op en neer sprong.

Nonkel Julien stond zijn gang te dweilen.

“Uwe pa is boven, menneke”. Ik belde boven aan. Tante Ursula deed een deur op een kier open en zei me dat mijn vader me nu niet kon zien.

Ik nam bus 28 terug naar huis en heb mijn vader toen heel lang niet gezien.

En als er al veel gebroken was tussen hem en mij was dat het moment dat onze werelden echt ver uit elkaar lagen. En echt goed is het nooit meer gekomen tussen hem en mij. Als kind begreep ik niet dat hij me niet wilde zien. Als vader kan ik me niet voorstellen dat ik mijn kinderen niet wil zien. Waarom hij me niet wilde zien heb ik hem nooit gevraagd. Dat deden we niet. We observeerde liever andere werelden en lieten onze fantasie erop los.

Een kind vraagt of het zijn naam in de wolken mag schrijven en of de wolken die naam dan ooit terug zullen geven aan het land van zijn dromen.

Terwijl we dansen krijgt één van mijn spelers het nieuws dat zijn broers zijn omgekomen bij een bomaanslag in Syrië. Hij kan niet meer dansen.

En oorlog is heel dicht bij.

Een grote man laat een foto op zijn smartphone zien van een kindje.Het is zijn kindje. Hij heeft het kind nog nooit vastgenomen, enkel gekoesterd in zijn dromen.

En oorlog is heel dichtbij.

Een man droomt ervan zijn moeder nog één keer vast te houden. Een grootmoeder somt op wie ze allemaal verloren heeft toen ze naar hier kwam.

En oorlog is heel dichtbij.

En dan zijn er mensen die ons willen laten geloven dat mensen hier komen om op “onze kap te leven”, zoals ze zeggen.

In een huis met briefjes hangt er een kleefbriefje van het ziekenfonds aan de deurbel. Aan de venster hangt er een geel kleefbriefje: “Mijn bel is kapot, ik lig in mijn bed. Vivianne.” Twee straten verder draait een deurwaarder zijn hoofd terwijl de agenten het slot van een huisje forceren.

En oorlog is heel dichtbij.

Een vrouw met overgewicht jaagt iedereen tegen haar in het harnas. Eén seconde gooide haar leven overhoop sindsdien is ze een pratende vleeshoop die haar grote mond vervult in een kreet van liefde. Een man uit Somalië wil alleen zijn kind vasthouden en schommelt ondertussen op een bankje in de zon.

En oorlog is heel dichtbij.

Mensen die de oorlog dragen zijn zo dichtbij. Ze komen niet.  Ze zijn de buren van jou en jij. De oorlog in alle vormen is zo dichtbij.