In de straat van mijn theater lopen mensen met weemoed aan warme zandkorrels onder hun voeten. Sommige zijn gehaast, bedrukt over iets wat hen bedrukter maakt. Andere proberen in de stap van het alledaagse leven het tempo en de blik van onopvallendheid op te houden. In de straat van mijn theater zijn lippen gespannen omdat je fietsen mag tegen het verkeer in maar je nooit weet of het verkeer je ziet. In de straat van mijn theater is de roep naar vooruitgang is stenen compleet. In de  straat van mijn theater is “al het  grondwater weg gepompt”, zegt een tuinier wiens bloemen hier niet meer zullen groeien.

Carina staat op de tafel in de straat van mijn theater. Ze vertelt hoe haar kinderen werden weg genomen van haar. Het moederschap gleed door haar vingers op dat moment. Een vrouw met een buggy stopt en luistert naar het verhaal.Het verhaal van een vrouw die verlangt naar een compliment maar telkens weer gekwetst van zich afbijt.  De vrouw met de buggy spreekt me na afloop aan en vraagt of ze haar verhaal in  mijn theater mag vertellen en of ik haar kan helpen.“Kan dat? Ik heb zoveel vragen.”.

In de straat van mijn theater schreeuwt de buurt naar een bankje in een park en een goed gesprek.

Er staat een muur in de straat van mijn theater. Een muur van mensen.“De isolatie zit in de steen.”, zegt de ingenieur, “Deze steen laat niets door.” De steen is wit en groot. Het bouwbedrijf wilde hem bouwen op los zand maar in al onze onkunde kwamen we langs en stelde vragen. Vragen die de plaats van de muur deed schuiven.De muur van mensen zoekt antwoorden op de vragen. Stamelend, stotterend, vertalend, te luid, zonder woorden zijn er kreten van binnenuit.

Het regent, de grote witte stenen laten vocht door en het dak lekt. “De beste stuurlui staan aan wal.”, roept een verantwoordelijke van de bouwput achter mijn theater en laat het stof waaien in de straat van mijn theater.

Als de avond valt en de stilte stopt met denderen in de straat van mijn theater keert de zuurstof terug en kijk ik graag naar de straat van mijn theater.

 

Advertenties

Ik krijg telefoon in de auto. Een man zegt me dat mijn vrouw en jongste zoon zijn aangereden door een auto. Ze zijn met hun fiets enkele meters meegesleurd door een man die niet wist hoe zijn automatische versnellingsbak werkte en de gaspedaal voor de rem aanhield en worden op datzelfde ogenblik meegenomen door een ambulance. Ik geef gas bij en rijd tegen hoge snelheid naar het kruispunt waar het ongeval gebeurde. Het is op enkele meters van ons huis. Er staan nog wat mensen op een hoekje te wijzen. Iemand heeft de fiets naar ons huis gebracht. Mijn oudste zoon belt me op om te zeggen dat er bloed op het kinderstoeltje van mijn jongste zoon hangt.

Op een andere hoek staat een grijze man, hij roept me toe dat hij het zo niet heeft gewild. Dat hij in de war was. Ik wil hem doodknijpen maar draai me om en spurt naar het ziekenhuis waar mijn vrouw en zoontje op de spoedafdeling zitten. Mijn wereld zakt onder mijn voeten weg bij elke stap die ik zet en ik beloof mezelf hoe ik alles maar dan ook alles zal opgeven om bij hen te zijn. In het ziekenhuis zitten ze beide in een kamer en houden elkaar heel stevig vast.  Ze zijn geschrokken en hebben lichte kneuzingen en een paar schrammen.

Mijn vrouw vertelt hoe een Marokkaanse man ons zoontje van onder de auto heeft gesleurd. Hoe ons zoontje op enkele millimeters van het voorwiel door deze man gered werd. Er bestaan engelen. Enkele dagen later staat de grijze man met een doos pralines voor de deur. Mijn vrouw blijft vriendelijk. Zijn kleindochter wil met me op de foto, een weddenschap met haar vriendinnen. Ik sta dwaze gezichten te trekken met de kleindochter van de man die me bijna het dierbaarste op deze wereld had ontnomen.

Maar er bestaan engelen dat weet ik nu zeker en ze wonen niet ver van mijn huis. Ik zwaai er naar als ik voorbij….

 

R. spreekt niet meer. Hij zit alleen op z’n kamer. De vrouw die hem opvangt schrijft me dat hij is uitgewezen; terug naar het land waar z’n hele familie is uitgemoord. De overheid heeft dat zo beslist. Vorig jaar danste hij nog in de voorstelling, MIJN REIS bij HETGEVOLG. Hij danste alsof het hij nooit anders gedaan had.

R. zit voor me, hij wil terug spelen voor hij weg moet uit dit land. “Hij praat veel over HETGEVOLG, het zou fijn zijn mochten jullie zijn wens mee kunnen realiseren en hem terug laten spelen.”. Voor me zit een jongen die weet dat hij sterven zal als terug naar z’n thuisland moet. En wij sturen hem weg. Een danser die danst omdat het leven hem lief is. Een kostbare dans die we verdrinken in discussies waarbij we het mensdom met het dierenrijk vergelijken en roepen dat we niet iedereen kunnen opvangen en dat bij de dieren enkel de sterkste overleven. Wat een onzin, denk ik en zie een grote rijkdom die ons leven binnenstroomt. Een rijkdom die ik elke dag dansend, spelend, creërend mag ontdekken in HETGEVOLG. Een rijkdom die ontstaat ver van afkomst en taal. Een taal en afkomst waar we – als we beslissen over het wel of niet – zo belachelijk veel belang aan hechten.Maar we kijken niet meer naar het werkelijke talent van de mens. Dat kleine lieve oerknalletje dat we allemaal hebben meegekregen bij de allerstart van ons bestaan. Dat wat ons mens maakt vergeten we.

R. zal dansen maar hoelang weten we niet en ik hoop dat mijn zonen nooit in een land terecht komen dat hen wegstuurt omdat ze een taal spreken of een afkomst hebben die niet is wat die wereld preekt te zijn. Asjeblieft wereld! MIJN REIS

Respecteer de weg van de rups naar de vlinder.

Toen ik in de lagere school zat had mijn moeder geen geld voor boterhammen. Ik kreeg boterhammen van de directie, elke middag at ik boterhammen op het kantoor van de directeur. “Vertel maar niet wat je hier komt doen.”, zei de directeur. En mijn klasgenoten dachten dat ik elke middag straf moest schrijven. Ik kreeg het niet uitgelegd. Ik had geen woorden, de woorden die in mijn hoofd danste mocht ik niet gebruiken; woorden van verdriet, woorden van begrijp me, woorden van boosheid, woorden die stil werden. In datzelfde hoofd besliste ik toen – heel alleen in mijn wereld – dat ik op een dag niet meer zou zwijgen als ik dit voel wat ik toen voelde. Die beslissing zou uiteindelijk mijn kracht worden bij het begeleiden van mensen.

Respecteer de weg van de rups naar de vlinder.

We rijden door een zee van wit plastic. Lola is mijn chauffeur, ze pendelt met acteurs tussen Almería en Malaga. “Iedereen heeft al in mijn auto gezeten. Vorige maand was ik bijna in slaap gevallen terwijl Tom Cruise op de achterbank zat.”. Lola is pas gescheiden, ze spreekt met een grote liefde over de liefde die ze heeft verloren aan haar beste vriendin. Ze draait haar venstertje open en spuwt de gedachte aan hen weg op het hete asfalt.

Alle kleur is weg uit dit landschap langs de autostrade. Onder het plastic kweken ze alle groenten die wij in het Noorden van Europa eten. Zover je kan kijken; plastic. Honderden kilometers wit plastic.  “Het is bloedheet onder dat plastic. Er werken Afrikanen in een temperatuur van 40 graden. Het is nog een lange weg naar een betere wereld, Stefan.”, zegt Lola en vertelt hoe ze dag en nacht werkt om de studies van haar dochters te betalen.

Respecteer de weg van de rups naar de vlinder.

“Ik kan wat jij kan.”, zei de man. Hij ging naar een school en deed wat ik doe maar zo onvoorzichtig, zo op bluf dat hij een weddenschap met kinderen verloor en zijn achterste liet zien. Om hem te beschermen namen we afscheid. “Ik kan wat jij kan.”, herhaalde hij en dat is zo. Het heeft alleen veel tijd nodig en het zal zijn zoals hij het kan.

Respecteer de weg van de rups naar de vlinder.

Ludo belt me op zegt dat hij op radio TOS zal vertellen over HETGEVOLG, Karina staat op de rommelmarkt en verkoopt spullen voor HETGEVOLG, Rita bakt elke week taarten, M. moet rondkomen met 5 Euro per dag en steekt elke dag 1 Euro in de beelden voor HART ACHTER MIJN MUUR. Een actie die we hebben opgezet omdat mijn huis kreunt onder kapotte muren van bouwheren die snel een shoppingcenter  willen bouwen met ondergrondse parking. Ze krijgen prijzen voor shoppingcentra met ondergrondse parkings maar draaien zich om als ik hen aanspreek.

Het huis in de Otterstraat is de afgelopen drie jaar een plek geworden waar we luisteren naar woorden die stil geworden zijn. Onmogelijke dromen in een hoofd klank geven. Elke mens zijn verhaal krijgt een artistieke waarde in HETGEVOLG. Een betekenis die de mensen vleugels geeft.

Nu draait een handige advocaat het verhaal om. “Jullie wisten toch dat jullie een oud gebouw hadden?”.  En ja, dat wisten we. En ja, we hebben plannen om het gebouw aan te pakken want een blinde kan zien dat dit nodig is. Maar nu pakken de bouwheren het hart van onze werking af en respecteren enkel hun eigen tijdslijn.

Een tijdslijn van beton in een shoppingcenter gevuld met producten die op snelheid gekweekt worden  voor een stad die schreeuwt om menselijkheid.

Respecteer de weg van de rups naar de vlinder.

Nu de stem stil is zoek ik adem om opnieuw te beginnen en de weg die ons vleugels geeft.

We rijden naar ons nieuwe huis in een dorp met dertig inwoners. Op enkele kilometers van dit dorp staat er een familie herten in het midden van een wei. Het zijn vijf herten die het nieuwe leven in mijn gezin aankondigen. We staan even stil en beide gezinnen kijken elkaar aan.  Onze jongste zoon wipt vrolijk op en neer in zijn stoel en roept dat zijn zusje ook bij hen in het bos is.  Vorig jaar trof een miskraam ons gezin en sindsdien heeft mijn jongste zoon een zusje dat hem op alle avonturen in zijn jonge leven begeleidt. Als één van ons thuis komt met een verhaal dan heeft Arthur’s zusje het harder en heviger meegemaakt maar steeds eindigend met een knipoog en kaka. De vijf herten schrikken van iets op, lopen het bos in  en laten ons viertjes achter. Wij rijden naar het huis waar de rust over onze lijven glijdt.

Een meisje met wilde rosse haren rijdt op een paard ons huis voorbij en vraagt of Arthur mee wil rijden. Hij wil zelf niet maar als ze weg rijdt zegt hij dat z’n zusje straks wel zal willen want dat zij altijd zin heeft om paard te rijden en….kaka.

Als ik ’s avonds met mijn oudste zoon op de heuvel sta zien we een hert in de verte naar ons kijken.

“In Turnhout staat er ook een hert op hun vlaggen, hé papa?”.

“Ja, als symbool van de jacht.”.

“Het lijkt alsof ze ook op u jagen, papa.”.

Het nieuwe leven schopt die avond voor het eerst tegen de buik van mijn vrouw. Het schopt zich het leven in terwijl een regen van vallende sterren de wensen van de hemel plukt.

Hij staat voor me. Hij staat recht. Normaal staat hij niet. Normaal  zit hij in zijn rolstoel. Een stoel die hem van punt a naar punt b brengt. Dat is normaal voor hem. Nu staat hij want hij heeft het over zijn passie; toneel spelen. Hij staat lang en met vuur. Na anderhalf uur zijgt hij weer in zijn rolstoel. “Ik voel geen pijn.”, zegt hij, “Als ik met toneel bezig ben voel ik geen pijn.”. Hij volgt zijn passie, hij speekt en spuwt  zijn woorden uit. Hij heeft passie in elke vezel van zijn lichaam. Hij staat boven elke gemiddelde Vlaming en toch plaatst diezelfde gemiddelde Vlaming hem in het bijzonder onderwijs. Samen roepen we dat dat niet kan! Dat dat een vergissing moet zijn!  Maar niemand hoort ons. En die ons horen gaan smalend voorbij want het is niet hun probleem dat hij op alle vlakken bijzonder is. Ik spreek met hem over straks, als dit gedaan is. “Wat gaat er dan gebeuren, Stefan?”. Ik weet het niet, Brent. Ik verstop me achter hier en nu en het doel dat we moeten halen. Dat we spelen. En dat iedereen dit gezien moet hebben. En dat kunnen we alleen maar hopen.

Na dagen heen en weer te zijn geslingerd tussen stenen en meningen landde vandaag de rust op mijn schouders door terug te gaan naar de plek waar ik vandaan kom.

Ik bezocht mijn moeder in haar sociaal appartementje en we keken samen naar hoe de tijd daar is blijven stil staan. We keken naar het behangpapier dat ik samen met haar op dertienjarige leeftijd tegen de muur had geplakt. Er was niks verandert. Het was vergeeld. We keken naar oude foto’s van toen ons gezin nog een gezin was maar zo diep failliet als gezin. Het eeuwig gevecht met geld; steeds te weinig en nooit genoeg. Het uitzicht op de haven. Ja, het uitzicht is heel mooi. Alles is er gebleven zoals ik er woonde. De kamers zijn nu leeg, de gordijnen gaan niet meer open. Ze betaalt voor de kabelaansluiting en kijkt naar die ééne zender die ze kan zien. Ze slaapt nog steeds in het bed dat mijn ouders kochten toen ze dertig duizend Belgische frank hadden gewonnen met de Nationale Loterij, zo vlak voor mijn geboorte. We stonden aan het plekje waar ik als kind altijd mocht zitten omdat dat het warmste plekje was.

Voorbij frituur Woopy – waar mijn vader me na elke echtelijke ruzie mee naartoe nam om zijn monoloog te houden op een veel te hoge barkruk  ging ik naar het kerkhof dat gauw een speeltuin zal zijn en bracht een laatste groet aan mijn grootouders en overgrootouders. In de bedding van deze plek heb ik mijn kinderjaren gesleten door emmers water aan te brengen terwijl mijn moeder met een stalen borstel tot bloedens toe het graf van haar moeder en vader schrobde.

Vanaf morgen gaat de zoektocht naar €300000 verder wetende dat het nest waar ik uitkom me voorzien heeft van sterke vleugels hier in de bron van mijn ontstaan.