Allé, ze mogen me bellen. Dan kunnen ze van mij ook ne schone vent maken.
Categorie: Zonder categorie
De taal.
Bijna drie jaar geleden maakte ik voor Het Paleis U bent mijn moeder. De taal bij U bent mijn moeder is als een boom die na twee honderd jaar wordt omgeblazen, sprokkelhout..
Taal, woorden, ze geven ons geluid, heel soms een betekenis. Sommigen onder ons kunnen ontzettend goed met woorden om, praten dat het een lieve lust is, een lust. Net alsof praten ons in leven houdt.
Misschien praten we daarom zo veel? Of zou stilte ons ook in leven houden? Misschien hebben we angst dat het te stil zou zijn in ons leven? Laten we dan maar praten!
Vorige week is er in een land- hier ver vandaan – een vrouw terug gevonden die tien jaar van haar leven alleen in de jungle had doorgebracht. Ze had geen taal, liep krom als een aap, zei de reporter, en in de zelfde seconde lieten ze zien hoe de vrouw soep at met een lepel. Ze leert snel, dacht ik. Ze past zichzelf enorm snel aan. Net zoals de vrouw die ondertussen van haar “jungle – zijn” een toeristische attractie had gemaakt en met een professionele blik de voorbijgaande toeristen aangaapte pas ik me ook elke dag aan. Een energie, een sfeer, een woord, een blik, noem maar op, zetten me anders in een situatie; gelukkiger, triester, ernstiger, vrolijker…
En waarom zijn stilte en verdriet zo aan elkaar gemeten? In stilte huilen… Waarom praat je meer, fluit je zelfs een liedje, indien je kan fluiten, als je gelukkig bent? Waarom kan het niet zijn dat je enorm gelukkig bent in de totale stilte? Er zijn codes in dit leven die niet voor iedereen dezelfde zijn maar waarom wordt dat zo slecht geaccepteerd?
Nog vele vragen bij het begin van het geluid die wij taal noemen,
In januari van volgend jaar (2009) komt U bent mijn moeder een laatste keer terug in Het Paleis te Antwerpen.
Sien Eggers en Yves Senden zullen dan een allerlaatste keer deze voorstelling spelen.
een streepje in het landschap.
Het nieuwe theaterseizoen staat voor de deur. Elk jaar weer smijten de grote en kleine gezelschappen met glossy soms arty soms knulligy boekjes naar je hoofd waarin ze hun nieuwe seizoen voorstellen. Elke voorstelling is alvast uniek – en dat geloof ik ook – elke cast is top – en dat geloof ik omdat elke mens op zich uniek is, wat zou acteurs minder uniek maken?- en vele voorstellingen worden zo samen gevat dat het kan gaan over niks en misschien ook wel iets. Gisteren was ik op een huwelijk en de bruidegom, een jonge leraar, vertelde me dat hij nooit met zijn kinderen een voorstelling bij woont omdat het allemaal te duur is. En dat is wat ze vergeten te vertellen in hun boekjes, het is te duur. En natuurlijk worden er inspanningen geleverd door al die gezelschappen om “een zo breed mogelijk publiek” te bereiken maar we zitten in een fucking economische crisis en dat zullen we geweten hebben. In theater kan je alle kanten uit, dat is een voordeel. Maar als we het voorbeeld van onze noorderburen gaan volgen waar er straks een grotere return van het gezelschap wordt gevraagd, en ongetwijfeld zullen we dat voorbeeld gaan volgen want zij volgen het Amerikaanse model en dat volgen we allemaal na een tijdje of is dat u nog niet opgevallen?, dan zit er geen volk meer onze zalen als we nu niet beginnen met van jongs af alle maar dan ook alle lagen van de bevolking aan te spreken met theater in al zijn verschillende vormen. En ik heb het hier niet over een sporadisch bezoekje aan de theaters maar maak van theater en wat dat met zich meebrengt nl., een gevoeligheid voor beeld en taal, iets wat wordt opgenomen in het lessenpakket van ons onderwijs. Er zijn acteurs, veel te veel, zet ze dagdagelijks in op scholen zodat ze de wortels van een toekomstig publiek kunnen beïnvloeden want als na de centen ook de interesse wegvalt voor beeld en taal in de vorm van een theaterbezoek of toch tenminste iets waar je je kont voor moet opheffen dan hebben we het nu al verloren.
Dit jaar maak ik een project in een school voor buitengewoon onderwijs in Kortessem, “de Dageraad”. Daar zal ik met jongeren die al gestigmatiseerd zijn voor en door een maatschappij stap voor stap ontdekken hoe beelden en taal je leven verrijken. Het zal niet over een virtuositeit gaan, het zal ook geen aapjes-kijken show worden maar het gaat over mensen en wat er in hen leeft en hoe ze dat tot uiting kunnen laten komen. Ik weet, het is maar een streepje in een landschap, het is zo uitgeveegd maar ik hoop er een beweging mee in gang te trekken die uiteindelijk fundamenten voor een toekomstig “nieuwsgierig” publiek legt.
Godverdomme.
Zomerjagers.
Het is zomer en dan heb je mensen die vanalles organiseren; barbecues, trouwfeesten, tuinfeesten, noem maar op… Maar er zijn ook mensen die zich verenigen in fietsclubs, kampen over het milieu en jagers. Wat bedoel ik nu met dat laatste? Wel jagers zijn mensen die het blijkbaar in hun hormonen voelen kriebelen als het zomer wordt of toch zeker als de zon schijnt. Ik geef toe, ik vind de zomer en meer bepaalt als de zon schijnt een streling voor oog en ziel maar ik voel niet direct de behoefte om datgene wat mijn oog ziet te veroveren. En zulke mensen bestaan dus wel. Soms hebben ze schone benamingen zoals;”citysingels”. Ik noem ze gewoon geil en vind ze wreed triest. Maar het nadeel van de zomer is dat hun werkterrein de hele stad is en dat je d’r niet om heen kan. Ze zijn overal, in alle maar dan ook alle lage van de bevolking en ze zijn actiever dan actief. Hun favoriete werkterrein zijn terrassen en café’s met luide muziek maar ook bovennoemde activiteiten die ze meestal zelf organiseren. Ze doen alsof ze heel enthousiast zijn maar als je’t mij vraagt hebben ze allemaal last van een knoert van een depressie. En wat ze ook moeten weten, ik ben geen kandidaat. Niet deze zomer en niet alle zomers die nog volgen.
Wij backstage.
De mannen van vier hout waar ik het project “Wij” mee heb gemaakt hebben ne film gemaakt over de laatste dagen van onze samenwerking.
Mijn hart.
Je hebt van alles in deze wereld. Maar uiteindelijk komt het er op neer dat alles en iedereen zijn universum wil creëren en daarin zijn of haar liefde en waarheid wil vinden. De zoektocht daar naartoe begint voor de één al op vroege leeftijd voor de ander loopt het leven zoals het loopt tot ze er plots over beginnen na te denken. Op dit ogenblik ben ik voor het Paleis een voorstelling aan het voorbereiden,Mijn Hart. . Het is in het kader van Open Monumenten en daarom bezoek ik met deze voorstelling verschillende locaties in verschillende provincies. In Antwerpen maak ik het in het huis van Jozef Weyns, bezieler van Bokrijk. In Limburg in Huis Hoste in Hasselt, in Eeklo in het psychiatrische centrum, in Lovenjoel – Bierbeek in een centrum waar ze jonge kinderen met problemen of problemen thuis begeleiden en/ of opvangen en in Blankenberge in Villa d’Hondt. En hoe je het ook draait of keert op elke plek zijn mensen/kinderen op zoek naar hun plaats in deze samenleving en hoe je je daarin het best in voelt. Sommigen noemt men bezeten omdat ze zo in het creëren van hun leefwereld door gaan dat er geen plaats meer is voor een buitenwereld. En zo kom je jezelf tegen als je zulk een project aan het voorbeiden bent en vraag je je waar je zelf staat; in mijn eigen wereld met m’n eigen liefdes en waarheden….
kleine lieve nationale feestdag.
Stompend en pompend draait de wind de nationale hyme in onze oren. Ja, en jij en ik hielden elkaars handen vast en voelden hoe de parades ons voorhielden dat de stap die we zetten de juiste is. Nationaal feest van de liefde! En het land scheurde zich open en slimme duisters zeiden tegen de vlamingen en walen hoe dat je het best op een klein opvlak samen leeft. En iedereen dacht dat het goed was want zag dat het allemaal slechts toneel was, We hielden ons zelf een spiegel voor, herkende het en gingen slapen zoals we het altijd doen. Liefste nieuwe België, mooie blonde godin uit het hoge noorden, ik hou van je.
Vlinderverhaal deel 2
Ik kijk in haar ogen. Een laatste traan zinkt achter haar zachte wimpers weg. Ze heeft de boot gemist. De boot met de honden die kunnen zingen. Wat ze zingen? Hoe het voelt om een hond te zijn.
Sommigen van hen kunnen passioneel zingen over hun leven en hun lot. Prachtige gezangen. Mijn favoriet gaat zo:
“Kwispelend met mijn staart in de kou bonst mijn hart en zegt hoeveel ik van je hou.
Kwispelend met mijn staart, lik ik mijn baard en wil je uitnodigen op een gigantische portie taart.
Kwispelend met mijn staart verzinkt dit gezang als ik naast jou zit bij de open haard.”
Ik vind het een prachtig nummer. Maar het kleine, huilende, blozende, snif snuffende meisje heeft er geen oren naar. Ze loopt onrustig door de stad. Ze kijkt binnen in vreemde huizen. Sommige van die huizen hebben geen gordijnen en nodigen uit om binnen te kijken, ook al kijken de bewoners dan steeds wel wat verrast, toch mogen we naar binnen kijken. Anderen hebben juist heel dikke, gele, met rook gevulde gordijnen en daarvoor nog een bordje dat je zeker niet mag binnen kijken! Maar ook daar kijkt het meisje naar binnen. Op zoek naar de boot met de zingende honden. Op die boot zitten haar ouders en vrienden en kennissen en verre vrienden en verre kennissen van verre vrienden. Ze zitten allemaal op die boot en ze mist hen.
Dat is een gevoel dat ik niet ken, omdat ik nooit afscheid neem. Afscheid nemen = missen.
Zij wel en het is massief jammer dat ze geen afscheid heeft kunnen nemen.
Massief jammer!
Ja, dat begrijp ik wel maar ken ik niet. Samen zoeken we en zoeken we. Soms staan we lang stil aan een huis omdat we iets menen te herkennen dat op hondengezang lijkt. Een ietsje maar. Want als we goed luisteren is het een mens die staat te zingen tegen zijn holle badkamerwand. En dan moet ook zij toegeven dat hondengezang dikwijls veel mooier is. Hier en daar zien we mensen in dikke drommen staan wachten op een trein of een tram die hen voor hun televisies laat neerploffen. “Eerst eten maken en dan ploffen.” We snijden die dikke drommen doormidden en zoeken naar de boot met de zingende honden en alles wat haar met de wereld verbindt.
Uitgeput zakken we aan de rand van de stad in mijn bananendoos. Ik zet het deksel open en samen kijken we naar de zonsondergang. Ik en het kleine, huilende, blozende ,snif snuffende meisje. Dat is wel romantisch. In de modder, de lucht en het water zien we de lijnen die ons verbinden. En net op het moment dat ik haar over haar blozende wang wil strelen kriebelt de rups in mijn handpalm. Ik open mijn hand en zie een pracht van een vlinder. Hij is groot. Hij is zo groot! Hij is gigantisch.! Hij is te groot voor de bananendoos!!
Buiten, bij valavond, opent hij zijn vleugels. Twee enorme prachtige vleugels sieren zijn gespierde lichaam. Wat een kleurenpracht! Dat heeft nog niemand gezien. Zelfs mensen die soms verschijningen van de Heilige Geest zien zouden stomverbaasd staan van de pracht van deze vlinder en mijn bananendoos heilig laten verklaren. Alle kleuren van de wereld zijn in die vleugels verweven. Ik krijg er…ja, ik moet het toegeven, tranen van in mijn ogen.
Eerst denk ik dat het regen is maar het zijn echte tranen. Ik berg ze op in mijn zakdoek en daar zullen ze blijven zitten. Twee dikke tranen. De vlinder wiens naam jij ook kent tilt mij en het kleine, huilende, blozende, snif snuffende meisje op z’n rug en samen vliegen we over de duizend oceanen, de drieduizend verschillende klimaten, om nog maar te zwijgen van de ontelbare geuren die we doorkruisen, recht naar de boot van de zingende honden.
We landen en er barst een gigantisch feest los. Er staan frietkramen aan boord en met bonnetjes die gratis zijn mag je zoveel friet eten als je zelf wil. En ook curryworsten! Vierentwintig uur op vierentwintig. En er word gedanst en de zingende honden zingen prachtige liederen. Ze zingen zelfs mijn favoriete nummer een keer of honderd. Ja, het is een fijne tijd. Net als ik en de vlinder willen vertrekken komt het kleine, niet meer huilende, blozende en ook niet meer snif snuffende meisje afscheid van ons nemen. En dat voelt vreemd. Tijdens onze terugtocht heb ik vlinders in mijn buik en ik snuif en geniet van alle geuren en kleuren en klimaten en beelden die ons pad kruisen.
De vlinder wiens naam jij ook kent keert zich om en vliegt weg om nooit meer terug te komen. Daar zit ik dan op de rand van mijn bananendoos en kijk naar de stad als zijn mensen vanuit de etalage van een chinees restaurant. Voor de eerste keer voel ik me een beetje eenzaam. Maar dat gaat gauw over. Bij het sluiten van mijn ogen zie ik alles weer. Opnieuw. En dat is heerlijk. Een symfonie voor de geest.
Vlinderverhaal deel 1.
Ik lag op de houten vloer en keek hoe een rups langzaam voorbij trok. In en uit. En in en uit. Die rups was nog lang niet op haar bestemming. Misschien moest ik haar helpen? Misschien moest ik de rups in mijn hand nemen en daar zetten waar rupsen zich thuis voelen? Maar waar voelen rupsen zich thuis? Ik ging in een boek kijken en las dat ruspen zich overal thuis voelen. Dat het voor een rups helemaal niet uitmaakt of ze onder een tapijt ligt, op een houten vloer, een drukke straat of een natte steeg, een weids grasveld of een donker moeras. Nee, rupsen voelen zich overal thuis, stond er in dat boek. En zo voel ik me ook. Overal thuis. Ik nam de rups in mijn hand en liet ze zich thuis voelen. Ik zong en vertelde voor de rups. Maanden, weken, dagen, uren, minuten, seconden gaf ik de rups het gevoel dat ze thuis was in mijn hand en dat was ook zo. Ik gaf haar een naam. Maar die ga ik niet vertellen want namen zijn bij mensen of dieren die zich overal thuis voelen een moeilijke zaak, omdat ze afhankelijk van de plek waar ze zich thuis voelen een andere naam dragen. Als je wil, fluister ik de naam in je oor.
Heel zachtjes, zoals het wiegen van het riet of het stromen van de zee naar verre landen. Kom maar. Luister maar naar de naam die ik in je oor fluister. Luister heel goed en onthoud hem dan je leven lang.
Dat heb je goed gedaan. Dat weet ik wel zeker.
Mag ik mezelf voorstellen?
Ik ben ik. En mijn naam is niet belangrijk. Verzin maar wat je zelf denkt dat een goede naam is voor iemand als ik. Ik ben overal en nergens thuis. Ik heb geen ouders, geen broers of zussen, geen vrienden of vriendinnen, geen kennissen of verre kennissen of vrienden van kennissen van verre kennissen. Nee, ik heb niks van dat. En toch ben ik nooit alleen. Soms slaap ik in een bananendoos aan de rand van de stad. Daar waar de palen krom staan en de wind harder waait dan op de hoogste toren. Zelfs als ik daar ben en alleen in mijn bananendoos zit ben ik nooit alleen.
Bananen komen van verre landen. Verre landen die we bereiken met schepen, woelend door het water, die vreemde namen dragen of vliegtuigen die hoge hoogtes kussen. Zo trekken we lijnen tussen verre landen en de plek waar we zijn. Onmeetbare verschillen glippen door onze handen en worden doodnormaal. Om voor altijd verbonden te zijn met elkaar en alles wat ertussen ligt.
Ik heb zin om de lucht te kussen! Ik zuig me helemaal vol, sluit mijn ogen tot er een fel licht achter mijn pupillen glinstert en laat me gaan. Daar hang ik boven de stad en zie mensen huilen, lachen, wassen, plassen, afscheid nemen, liefhebben, haten, kussen, afstoten, vechten, sussen, “c’est la vie”, zeggen en “vlug, vlug, vlug” en heel hard werken of “potversnot” roepen als ze weg willen en het niet durven te zeggen. Wel, daar heb ik geen last van want ik hang boven de stad als een sneeuwvlokje dat zich laat meevoeren met de wind en als de wind beslist om me neer te zetten dan glijd ik naar beneden. Recht in de roos. Op de wangen van een klein, huilend, blozend snif snufffend meisje.
Stel dat.
Stel dat morgen de zon schijnt.
Stel dat mijn vader of misschien wel ik koning wordt van dit land.
Stel dat geluk iets is wat je in grammen kan kopen.
Stel dat je niks meer moet.
Stel dat je alles op voorhand kan bepalen.
Stel dat iedereen elkaar wel respecteert in zijn of haar geluk.
Stel dat er geen onnodige gesprekken zouden zijn.
Stel dat je ook mag falen.
Stel dat je nog enkele seconden te leven hebt.
Stel dat blijft vaag.