Het weekend staat voor de deur, wat moet ik doen:

*uitbreken van muren in mijn huis.

*mijn hart – limburg afwerken.

*de moeder van mijn zoon veel geluk wensen met haar huwelijk.

*aan mijn zoon denken op het feest…

*het is cultuurmarkt, cultuurminnend vlaanderen ruikt aan elkaars kont, aangezien ik daar deel van uitmaak moet ik misschien ook eens langs gaan maar dat van die kont steekt me zo tegen.

*af en toe iets aan mijn lippen zetten of door mijn strot duwen.

Goe weekend van onder een dikke steen!

Ik hou niet van eenzaamheid.

Nee. Soms kan ik gewoon uren naar het voetbal op tv kijken.

Gewoon.

Om de tribunes vol te zin staan met mensen.

En te denken.

Te denken dat ik er bij zou horen.

Maar dat is niet zo

Het gedacht is veel sterker dan wat dan ook.

Ik hou helemaal niet van voetbal.

Ik weet nog altijd niet wat een off side is.

En dan moet ge weten dat mijn vader dat elke avond riep.

“Godverdomme, arbiter, dat is ne pure off side! ZIEDE GIJ DAT DAN NI!”

Ik heb het hem nooit durven vragen. Maar ik denk dat die mensen daar op die tribunes ook niet weten wat nen off – side is.
Bijlange ni. Die kunnen gewoon ook ni tegen de eenzaamheid en daarom zitten ze dan in groepen en verenigingen. Dat heb ik nooit gedurft.

Ik heb schrik van mensen die ik niet ken.

Soms gaat het beter.

Als ik weer is ne film zien over mensen die nog meer schrik hebben van mensen die ze niet kennen. Dan voel ik me weer wat beter.

Dan denk ik,

Ja,

Denk ik dan.

Het heeft geen zin zoveel schrik te hebben. Schrik is iets van voorbijgaande aard.

Maar mij aansluiten bij ne groep dan doe ik ni. O, nee. Dan val ik nog liever dood.

Echt waar.

Boef. En ’t is gedaan.

Geenen asem meer uit mijnen mond. ’t kan me  ni schelen da’k ni sociaal genoeg ben. Just geen kloten kan me dat schelen.

Just niks. Geeft mij maar een stadion vol met mensen die ik ni ken.

In ne positie waarvan ik zelf kan bepalen wanneer ik ze wegjaag.

Zap.

En ’t is gedaan.

Leve de eenzaamheid.

Leve de 1 – zaam – heid.

De hei.

Dat is nog zoiet.

Mensen gaan wandelen op de hei.

Mensen moeten in beweging zijn.

En daarna ne pannekoek eten in “’t hoeveke”.

Nee bedankt. Ik wandel van mijn keuken naar mijn living.

En soms.

Soms.

Trappeke op.

Naar de wc.

En dat voel goed.

Daarbij.

Masturberen. Dat zijn evenveel calorieën dan ne keer den trap op en af lopen.

Just zoveel. Dus ik heb geen sport nodig.

Als ge verstaat wat ik bedoel.

Maar verstaat ge mij.

Hey gij!

Verstaat gij mij!

 

(smijt een pantoffel naar zijn televisietoestel. Zwart niks)

 

Ik denk dat ‘em kapot is.

Och ja, dan moet er morgen iemand langs komen.

Laat maar komen.

Ze moeten hun teevees maar wat steviger maken.

Allé.

En dat van ne stoemme sloef.

’t is allemaal niet meer zo stevig.

Speelgoed.

Ja, maar geen stevig speelgoed.

Plastic speelgoed.

Vodden.

Niet zoals het in den tijd maakte.

Stevig.

Uit hout.

Houten figurekes.
Uit schoon hout.

Geen waaibomenhout.

Maar schoon hout.

Hout.

Hard hout.

Geenen MDF.

Minstens grenen.

Niks geperst.

Maar hard.

Stevig.

Hout.

H O U T.

Of iets anders.

Maar stevig.

 

Een gebroken hart schuurt tegen de binnenkant van mijn borst

Dit hoort niet te zijn

Want dit doet pijn

Een iets dierbaar heb ik verloren was het liefde waar ik niet voor ben geboren.

Ik weet het niet.

Ik weet alleen;

het doet pijn en dan kan

je alleen maar zijn.

Een hoopje wandelende stof.

Verliefd op de hele wereld.

Maar ik durf het niet te zeggen.

Angst.

Bang.

Slang.

Dat iemand me zal bijten.

Woorden die verwijten en

gillen dan mijn naam.

Huilende moeders in

hoekjes van bedden.

Depressies die niet  vallen te redden.

Daar sta je dan als kind.

Bemind

Alleen te beven.

Vrezen.

Dat het leven ook voor jou zo zal worden.

Nee, jij zal je niet laten breken.

Dat heb jezelf niet in de hand.

Voor je’t weet heb je je verbrand.

De foute glimlach

op de foute plek en je leven staat boven op een hek.

Grootte pinnen en geen van je vrienden weet je te vinden.

Daar sta je dan heel alleen.

Dat is ’t leven.

Niemand om je heen.

Ga. Ga door.

Vecht en loop en wees daarbij nog gezond.

Dan weet je dat je opdracht mislukt.

De etter loopt uit je kont.

Je kan niet terug. Je moet nu door.

Ook al zoek je voor je eigen daden nog een metafoor.

Je wil nu gaan.

Je zult nu gaan en dan voor je’t weet ben je d’r aan.

Opgelopen. Opgebruikt.

Je leven naar de kloten.

Je geest gefnuikt.

Bijf niet zitten onder de spoelbak van je moeder want je moet naar ’t wc en kakken in een kast ruikt naar ongemak en kinderlijkheid die jezelf nu tentoonspreidt.

Ga. Ga door.

Welkom in ’t schone leven zingen we in koor.

We woonden met ons gezin in de Molenlei te Merksem. Mijn broer Peter zat in zijn puberjaren en had een groepje, “The Macho Party.”. Ze repeteerden bij ons op zolder. Als kleine broer mocht ik dit heilig schrijn van de toekomstige ridders van de punk zeker niet betreden. Als kleine broer mocht ik enkel af en toe een repetitie bijwonen en hun hits zoals“stront, zuip en spouwsel!” mee zingen. In die periode en op diezelfde zolder had hij ”Grease” en “Olivia Newton John” in koeien van letters op de zolderbalk geschreven. Was het de periode of zegt het iets over mijn broer wie zal het zeggen?  Kort daarna is hij gaan volksdansen om in contact te komen met zijn eerste lief. Strange days…

Terwijl de Belgen er op de olympische spelen nog steeds niks van bakken en er een ober op de televisie meld dat een “surprise menu” een verrassingsmenu is is mijn neef Jeroen Perceval bijna klaar met zijne nieuwe voorstelling; “harald’s feestje”.

Dit verhaal is op 11,12 en 13 september te zien in de “Monty“in Antwerpen.

“WEES VLUG MET HET BESTELLEN VAN KAARTEN AANGEZIEN

ER NU AL RIJEN AAN DE KASSA STAAN DIE LEGENDARISCHE PROPORTIES AANNEMEN

EN U WAARSCHIJNLIJK NIET VEEL KANS MAAKT IN U LEVEN 

OM ZOIETS NOGMAALS TE AANSCHOUWEN

TENZIJ DAN MISSCHIEN WANNEER DE SPORTPALEIS REEKS IN 2010 

WORDT VERLENGD MET 20 VOORSTELLINGEN”

 

 

 

 

Mijn vader was een vlinder.

Zijn vleugels waren van paardenbloemen.

Zijn lichaam was van leder, groot en sterk.

“Als je groot bent dan krijg je een olifantenvel!” en hij vloog weg.

Daar hing ik, in mijn eerste kleine huisje.

Ik zag de wereld  door mijn aderen.

Kleine buisjes die me eten gaven.

En meer en meer.

Ik werd te dik.

Plofte open.

Mijn eigen dikke lijf kroop als een groen glibberig ding over de weg.

De lucht wreef met haar kouwe handen aan mijn neus.

“Ik heb kouw!”

Ik vroeg me af waar dat olifantenvel was want lang zou ik het hier zo niet volhouden.

“Doe niet zo flauw!”.

Daar, in die fruitboom waar jij nu zit zat een kleine Spaanse bosmus.

“Wie ben jij?”, vroeg ik.

“Mijn naam is Amberes!”, tsjilpte de mus en vloog tot in de kruin van de boom.

Daar  flapperde ze met haar vleugels de mooiste flapperdans die je je maar kon voorstellen.

En terwijl ze dat deed rees de zon aan de horizon. Knalgeel licht verlichtte de wereld. De zon was geboren!Oh, wat een heerlijk warm gevoel!

Ik stak mijn hoofdje naar boven en genoot. 

“Kom je mee naar de Vuilbeek?”, krijste Amberes.

“De vuilbeek?”, zei ik voorzichtig want mijn stem was nog maar net geboren.

“Daar is iedereen!”, tsjirpte ze luid, “Kom volg!”.

Ze vloog weg en ik deed mijn uiterste best om haar te volgen maar de rusp die ik was was niet zo snel als een Spaanse vogel.

“Vlieg met me!” en  Amberes vloog met een razende snelheid en een hete adem op me af.

Ze sperde haar bek wijd open en pikte me op.

Ik vloog!

Ik was slechts een rups maar ik vloog!

Onder mij zag ik de fruitbomen, ook die waar jij nu zit.

De Spaanse lucht van Amberes floot langs mijn kale lichaam en zij genoot duidelijk  van mijn aanwezigheid in haar bek.

Pas later begreep ik dat dit voor een vogel niet eenvoudig moet zijn. Een rups in je bek houden en toch niet opeten! Deze grote vorm van vogelliefde kwam ik in de eerste seconden van mijn leven al tegen en zou me de rest van mijn leven tekenen.

Daar waren; DE VUILBEEK!

Een mooier water had ik nog nooit gezien.

Ik had dan ook nog nooit water gezien.

Amberes plofte me zachtjes aan de rand van het water neer en ging met haar vleugels in de koele plas zitten.

“De vuilbeek, señor!”. “Alles aan deze kant is netjes. Alles aan die kant is vuil.”

Ik hief mijn kleine kale rupsenhoofd de lucht in en zag een groot dik varken zich in de modder draaien.

“Ik voel me goed, ik voel me goed!”, herhaalde het rozige wezen terwijl het zijn dikke pens in de modder wentelde.

“Wat heb jij voor?”, schatterde Amberes met haar hoofd in de lucht alsof ze iets onaangenaams rook en dat was ook zo.

“Mijn meisje…”, stotterde het varken, “mijn meisje heeft me afgewezen omdat het water tussen ons te diep is.”

“Het water te diep? Wat wil je daar mee zeggen?”, schetterde Amberes.

“Er zijn te veel verschillen tussen ons.”, knorde het varken zijn neus in de modder draaiend.

“Om te beginnen, vind ze me te dik. Ze vind dat is stink…”

“Dat is zo…”, knarste Amberes tussen haar bek.

“…en dat ik geen manieren heb. Maar zelfs als ik mijn uiterste best doe voldoe ik nog niet aan de hoge eisen die ze stelt.”

“Dan is het geen echte liefde.”, sneerde Amberes naar de stotterende stinkende massa vlees.

“Echte liefde overwint alles!”.

“Overwint, wat is overwint?”.

“Overwint is dat wat je voelt als je niet meer alleen bent. Overwint is de liefde die je hart verwarmt en niet je hoofd dat denkt.Na overwint sta je op de top van een berg en kan je de wereld aan.”

Het varken zuchtte en draaide zich nog een keer in de modder om in de hoop dat deze modderpacking iets aan zijn dikke lijf zou verhelpen.

“Maar ik heb zo’n laag zelfbeeld.”, zei hij. “Ik kan niks , ik kan niet eens fluiten. Ik ben een varken niet meer en niet minder. En een varken is maar een varken.  Ik kan mezelf toch niet veranderen. Ach, ooit zal ik wel eens de liefde van mijn leven vinden. Ooit.”

Het werd heel stil rond de Vuilbeek.

Moederkesdag in Antwerpen. Ja, hier is het altijd op 15 augustus moederdag. Al sinds 1913. Ben vanmorgen met mijne zoon over de Rubensmarkt gewandeld. We hebben een ijsje gegeten, een wafel met slagroom en gefantaseerd over prinsen en prinsessen.En we zijn er uit gekomen; ze bestaan! In ieder geval, op de Rubensmarkt.

De rest van de dag heb ik alleen doorgebracht. Hier was geen vrouw om te vereren en mijne zoon was naar zijn moeder. Mijn buren vierde in grote getalen hun respectievelijke moeders in hun respectievelijke en heel ordelijke tuinen. Mijn moeder wil niet gevierd worden. Niet vandaag, niet op andere dagen. Ze ziet het nut er niet van in. Ze wil ons niet tot last zijn. Ze heeft zelfs haar begrafenis al helemaal geregeld, betaalt en heel den hutsekluts,  zodat we ons daar ook niet mee moeten bezig houden.

“Da’s alleen maar last.”, zegt ze dan.

En ja, ik laat haar dan met rust want het heeft geen zin om mensen ergens in te forceren…

Bullshit natuurlijk als je ziet hoe fijn het is om tussen familie en vrienden te zijn. Ook dat heb ik zelf pas op latere leeftijd gerealiseerd. Toen ik zag hoe mensen het gezellig konden hebben en hoe ze je daar zelfs op uitnodigen om er aan mee te doen. Ik hoop dat later mijn zoon, misschien nog wel andere kinderen, altijd bij me binnen springen met hun kinderen en vrienden. En daar hoeft het geen moederkesdag voor te zijn.  Gewoon omdat het gezellig is en geen last.

 

De vader en het strand lagen tegen elkaar in de zon.

De vader stond recht,schudde het zand van het strand van z’n rug en liep naar zijn zoon.

Maar die wilde niks van z’n vader weten want het strand en de zoon waren de beste vrienden.

De vader ging op z’n knieën zitten, overschouwde het strand en dacht dit alles voor één man

te veel van het goede was.

De zoon zwom de hoogste golven tegemoet terwijl  het strand nooit onder zijn voeten verdween.

 

 

 

 

Mijn lieve vriend Tom Kets heeft voor “Mijn Hart”, een productie die ik voor het Paleis in Antwerpen maak een prachtig lied geschreven.

Je kan het beluisteren op

http://www.hetpaleis.be/events.php?id=207&parent=53&show=doctype&dt=Audio

Doen!

Verder geeft hij nu zaterdag een optreden met zijn groep in Aartselaar op het San Luce Festival.

Kijken!