Vlinderverhaal deel 1.

 

Ik lag op de houten vloer en keek hoe een rups langzaam voorbij trok. In en uit. En in en uit. Die rups was nog lang niet op haar bestemming. Misschien moest ik haar helpen? Misschien moest ik de rups in mijn hand nemen en daar zetten waar rupsen zich thuis voelen? Maar waar voelen rupsen zich thuis? Ik ging in een boek kijken en las dat ruspen zich overal thuis voelen. Dat het voor een rups helemaal niet uitmaakt of ze onder een tapijt ligt, op een houten vloer, een drukke straat of een natte steeg, een weids grasveld of een donker moeras. Nee, rupsen voelen zich overal thuis, stond er in dat boek. En zo voel ik me ook. Overal thuis. Ik nam de rups in mijn hand en liet ze zich thuis voelen. Ik zong en vertelde voor de rups. Maanden, weken, dagen, uren, minuten, seconden gaf ik de rups het gevoel dat ze thuis was in mijn hand en dat was ook zo.  Ik gaf haar een naam. Maar die ga ik niet vertellen want namen zijn bij mensen of dieren die zich  overal thuis voelen een moeilijke zaak, omdat ze afhankelijk van de plek waar ze zich thuis voelen een andere naam dragen. Als je wil,  fluister ik de naam in je oor.

 

Heel zachtjes, zoals het wiegen van het riet of het stromen van de zee naar verre landen. Kom maar. Luister maar naar de naam die ik in je oor fluister. Luister heel goed en onthoud hem dan je leven lang.

 

Dat heb je goed gedaan. Dat weet ik wel zeker.

 

Mag ik mezelf voorstellen?

 

Ik ben ik. En mijn naam is niet belangrijk. Verzin maar wat je zelf denkt dat een goede naam is voor iemand als ik.  Ik ben overal en nergens thuis. Ik heb geen ouders, geen broers of zussen, geen vrienden of vriendinnen, geen kennissen of verre kennissen of vrienden van kennissen van verre kennissen. Nee, ik heb niks van dat. En toch ben ik nooit alleen. Soms slaap ik in een bananendoos aan de rand van de stad. Daar waar de palen krom staan en de wind harder waait dan op de hoogste toren.  Zelfs als ik daar ben en alleen in mijn bananendoos zit ben ik nooit alleen.

 

Bananen komen van verre landen. Verre landen die we  bereiken met schepen, woelend door het water, die vreemde namen dragen of vliegtuigen die hoge hoogtes kussen. Zo trekken we lijnen tussen verre landen en de plek waar we zijn.  Onmeetbare verschillen glippen door onze handen en worden doodnormaal. Om voor altijd verbonden te zijn met elkaar en alles wat ertussen ligt.

 

Ik heb zin om de lucht te kussen! Ik zuig me helemaal vol, sluit mijn ogen tot er een fel licht achter mijn pupillen glinstert en laat me gaan. Daar hang ik boven de stad en zie mensen huilen, lachen, wassen, plassen, afscheid nemen, liefhebben, haten, kussen, afstoten, vechten, sussen, “c’est la vie”, zeggen en “vlug, vlug, vlug” en heel hard werken of “potversnot” roepen als ze weg willen en het niet durven te zeggen. Wel, daar heb ik geen last van want ik hang boven de stad als een sneeuwvlokje dat zich laat meevoeren met de wind en als de wind beslist om me neer te zetten dan glijd ik naar beneden. Recht in de roos. Op de wangen van een klein, huilend, blozend snif snufffend meisje.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s