stenen in de zomer.

 

De lijnen in het zand zijn getekend.

Duizende voeten, poten, handen en hoeven trekken lijnen en laten hun afdruk na.

De mens op het canvas ook.

Maar de vrouw  die daar onder de boom koelte zocht was weg gezonken in schaamte omdat ze haar leven had gemist.

Ooit was ze bang, écht bang, verkeerde keuzes te maken.
Ze liet haar liefde lopen voor vrienden en familie.

Maar vrienden trouwden, nodigde haar uit wanneer het hen uitkwam.

Het bleven wel vrienden.

Familie was er ook en dat zal altijd zo zijn dat is zo met familie.

Maar nu zat ze voor zich uit te staren en dacht aan hoe het had kunnen zijn als ze toen de keuze  had gemaakt.

Ze heeft de keuze nog nagejaagd maar ze was verdwenen.

De boom deed een poging om haar hoofd te koelen maar wat restte waren lijnen, getekend.

Ze was niet meer dan een korrel in dit bestaan die nog moest leven.

 

 

 

 

Tijd om met mijn schaduw te spelen. Zoekend naar een boom die deze wereld in de schaduw zet. Ondertussen blijven we insecten doodknijpen zodat we weten wat er met hen gebeurt is. Het weekend klopt in mijn keel zoals de sint op deur, met een handschoen die zijn ware gelaat niet zal laten zien.

Tijd om mijn schaduw als vriend te beschouwen. Niet naar achter kijken, denkend aan een toekomst met jou. Maar val ik je daar niet mee lastig? Gelukkig is er af en toe een wolk en verdwijnen onze gesprekken in het weer.

Tijd om te rusten en heel lang te kijken naar dat eene plekje waar je al langer van wist dat het er was maar niet dat het er zo was. En dan is het weer maandag. Gewoon omdat dat na het weekend altijd zo is.

Toen ik nog kelner van beroep was heb ik haar ooit ontbijt gebracht. Tot aan de liftdeur en niet verder. Even later zag ik haar door de keuken wegsluipen voor de pers. River deep mountain high… Dat is juist en Tina, u is een prachtige vrouw! Zegt da’ k ik het gezegd heb.

 

 

 

Nooit hadden ze hem zo gezien, de komiek die het woord”afschuw” gebruikte om de mensen aan het lachten te brengen. Jaren had hij z’n vel weten te redden, goede kritieken geoogst en kassuccessen gehad. Nu gedroeg hij zich als een tiran. Hij stond op en dacht dat hij de wereld kon veroveren, dacht hij. Maar hij wist dat gedachten relatief konden zijn. Zo relatief dat ze als een rem op je verstand werken. Hij kon helaas niet denken zoals zijn vrienden en elke dag over hetzelfde praten maar dan weer in een andere vormpje. Hij kon het niet. Telkens weer stuitte hij op een muur in zijn hoofd waar de idioterie van dit bestaan afdroop. Hij kon die muur niet verplaatsen dus leerde hij er mee leven en dat was tot dan toe de meest rustgevende gedachte die hij had.

Die eene dag kleedde hij zich aan, poetste zijn tanden en besloot nooit meer na te denken.Zijn vrienden vonden hem maar een houterige figuur met domme handjes. Na even besloot hij weer na te denken en zijn ongezouten mening kenbaar te maken. Hij verloor veel vrienden, die komiek…Hij was graag alleen.

In de liefde leidde dat tot hevige confrontaties met vrouwen die hij en zij hem hevig beminde…tot op een zeker punt. Dat punt voorbij was het gedaan met de liefde omdat ook hier weer een gedachte de hoofdrol ging spelen; DE RELATIVITEIT VAN DE LIEFDE. Hij bleef alleen, wilde niet meer jagen. Hij bleef alleen met zijn gedachten, kroop uit zijn bed en ging de wereld veroveren. Daar, in het midden van die wei, schoot hij zich door het hoofd. Einde van de gedachte.

 

 

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Nat en overdadig loopt ze ’s ochtends naar me toe.

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Zachtjes strelend als een sirene op een prille lentedag.

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Maar ik ben geen man.

 

Mijn kinderstem is blijven hangen aan de koude tegels

en benen van uitslag.

Je mag niet in je bed plassen.

Niet in de herfst,

niet in de zomer,

hou alle seizoenen je zeik binnen.

 

Durf geen afscheid te nemen met

een traan in je ogen of een hart dat sneller slaat.

Kijk naar de reclameborden vol illusies van geluk en luister naar het geluid van de treinen richting zee.

 

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Nat en overdadig loopt ze ’s ochtends naar me toe.

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Zachtjes strelend als een sirene op een prille lentedag.

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Maar ik ben geen man.

 

Daar stond je dan en ik moest zeggen dat ik van je hield

Maar slikte mijn woorden achter mijn tong.

Lachend over een franse les en hoe het leven van je grootvader warrig wordt prikkelde de zon mijn geslacht en we vreeën.

En ik wist dat ik niet langer van je hield.

 

Naar – de – liefde – kijken het is ons zo meegegeven

Geven geven tot je er een zekere rust in vind.

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Zachtjes strelend als een sirene op een prille lentedag.

Soms voel ik hoe een man de zee zou willen kussen.

Maar ik ben geen man.

 

Ook dood dweep ik tussen wal en schip als een boei die niemand ooit verstaan zal.

 

Morgen begin ik met ruud gielens  aan de  brechtrevu in de kvs. Ben flink zenuwachtig en zal vele dagen en uren doorbrengen op de trein tussen Antwerpen en Brussel. Ruud heeft zijn lief leren kennen op mijn verjaardagsfeestje in München(we waren op tour met L. king of pain.) . En daardoor is hij naast mijn moeder en vader één van de weinge mensen die weet wanneer ik verjaar. Verjaardag in Brussel.

Een feest in een dansende straat.

Het doet er niet toe of je d’ bent.

Je laat je wegzakken en niemand vangt je op.

Je vrouw heeft je net verlaten.

Ze zei tegen haar moeder dat ze het “een kans wilde geven”.

Maar wat zei d’r niet bij.

’s Ochtends kroop ze stil weg en de zon scheen.

En jij dacht, ik ga me bezuipen.

Je bent  al vanalles geweest in deze dag.

Maar nu ben je dood.

’t Is feest in Brussel maar niemand die het weet.

 

Stefan p.

 

Nadat ik deze ochtend mijn zoon had duidelijk gemaakt dat er maar één iemand de baas in huis is/was (want nadat hij naar me keek was het wel duidelijk dat ik als vader geen reet voor stel) fietsten we naar de school. Hij al in zomerplunje, hij had de hele winter de oren van m’n hoofd gezeurd over wanneer hij nu eindelijk  een korte broek mocht aandoen dat het vandaag en na de dag van gisteren voor hem wel helemaal beklonken was; hij moest en zou in zomerplunje naar school gaan!

 

De school van mijn zoon is een grote school. Er zitten enorm veel kleuters, mijn zoon is vier, en dat brengt met zich mee dat er daar ook veel ouders aan vast hangen. Vooral moeders. Je ziet ze in alle vormen en maten. Maar er is  er eentje die me bijzonder opvalt; een moeder met zwarte haren en een witte jas. Ze rijdt elke morgen met haar twee dochters in een amazonehouding naar de school. En daar, op dat punt,kom ik haar elke morgen tegen. Stiekem hoop ik dat ze alleen is en heel ongelukkig. Of misschien gewoon al heel ongelukkig maar dat geloof ik niet, ze ziet er bezorgd uit maar niet ongelukkig. Deze morgen was ze er niet. Haar man, een roodharig roodhoofd bracht de kinderen naar school. Onze blikken kruisten even, hij keek naar me zoals alle vaders naar me kijken, arme alfadieren; “hey alleenstaande vader! Het is niet omdat je bewezen hebt dat je schoon kindjes kan maken dat je dat moet proberen op mijn vrouw. Dat moet je niet denken!”. Terwijl, dat denk ik niet. Ik denk alleen maar; “wat een aantrekkelijke vrouw, jammer dat ze waarschijnlijk gelukkig getrouwd is of samen woont met iemand die zijn waren aard nog niet heeft laten zien tot dat ze getrouwd zijn of samen een huis kopen dan barst de bom, dat kan ik je wel zeggen.Kom bij mij! Kom, ik ben een lieve man die om die in een week om week regeling zit met zijn vrouw. Dus we hebben telkens een week voor ons! Kom!”. Een totaal onschuldige gedachte, denk ik zo.

 

Nee alle gekheid op een stokje, wat wel vast staat is dat ik voor al die mannen/vaders een bedreiging vorm omdat ik een “alleenstaande” vader ben. Dus de vrouw/moeder met de witte jas mag misschien niet meer naar de school komen omdat ze zich misschien, heel misschien hé, aangetrokken voelt tot me en ze heeft dat thuis verteld. Dat staat in die wijvenboekjes dat je moet vertellen wat er is voor het te laat is, een open relatie noemen ze dat. Wel, ik kan je wel vertellen dat het beter is af en toe je kop te houden en te wachten tot het voorbij gaat.. Zie me hier nu zitten. Ik heb hier niet voor gekozen maar de “open relatie” vertelde me dat ze het niet meer zag zitten. Dus…KOP TOE!

 

Ach ja, die met die witte jas…ik ken haar van ergens…van vroeger. Nu weet ik het weer; ze heeft ooit eens in mijn mond overgeven in een discotheek in Brecht. Ik was zestien, stond vol pukkels, en ging weg met vrienden naar een discotheek in Brecht. Iedereen was daar dronken, ook zij en haar vriendin begon met mijn vriend te zoenen dus zij nam mij. Nee, ik nam geen initiatief! Maar toen ze begin spuwde ze gewoon in mijn bek. Had je moeten zien!

 

Zou je niet zeggen als je haar daar zo in haar maagdelijke witte jas ziet rijden met die twee dochters. Misschien hebben zij en haar man wel spuwsex. Ik weet niet wat het is en ik hoef het ook niet te weten hoewel ik me er iets bij kan voorstellen…Nee, dat ze maar mooi bij haare vent blijft en ongelukkig is en in zijn bek spuwt en doet alsof ze gelukkig is. Ik moet haar niet. Ik blijf “alleenstaande” vader. Na.

Zoals mensen eindeloos kunnen leuteren over hoe ze dingen in de toekomst gaan besluiten vergeten ze soms om dingen te beslissen en blijven ze leuteren over het en waarom ze zullen gaan belissen als ze dat eene dan beslist hebben. Daar gaan duizende vergaderingen over, mensenlevens blijven onbeslist ronddobberen omdat ze nog niet tot een besluit zijn gekomen over wat ze ooit zullen beslissen. Hier en nu iets beslissen is blijkbaar voor de mensheid heel moeilijk. Dan kom je in dit soort situaties; “laten we er nog even over beslissen of we zullen beslissen over datgene wat tot een besluit moet lijden.” Laten we beslissen het hier nooit meer over de besluiteloosheid van de vezel mens genaamd te hebben of iemand anders zou iets anders belissen en dan kunnen we er misschien wel over praten. Einde beslissing.

Ik heb vorig jaar een huis gekocht. Dat huis bestaat uit twee appartementen. Ik woon voorlopig in het bovenste appartement in afwachting van de verbouwingen. Vorige week kreeg ik van Electrabel het heugelijke nieuws dat ik voor het benedenverdiep centjes terug trok, logisch want dat verdiep staat leeg en daar wordt niks verbruikt. En dat ik voor het appartement dat ik betrekt 918,30 euro moet bijbetalen. Ik verbruik dus veel meer dan mijn voorganger hier. Dat kan en dat vindt Electrabel ook en dus hebben ze, naast de berekening van mijn verbruik, een flink forfaitair bedrag bij zowel elektriciteit als aardgas gerekend. Dat trekken ze dan later weer af maar niemand kan me zeggen waar deze bedragen vandaan komen. Wat de logica is? Ik vraag het aan de energielijn stuurt en die stuurt me naar de post, de post zucht en zegt dat ze van Electrabel ook geen uitleg krijgt. Ik vraag het via het elektronische vragenformulier van Electrabel maar nog steeds is het windstil. Wie is die Electrabel? Is dat echt die oude man die de fondsen van prins Laurent beheert? Ik  heb vorige week op het nieuws gezien dat hij d’r moe uitzag maar hij verdiend goed me dunkt en als je goed verdiend moet je d’r ook iets voor over hebben, hé! Ik stel me nu voor dat hij vermoeid aan zijn tafel zit met naast hem prins Laurent en dan zijn ze hun geld aan het tellen en dan flikkert er een lamp. Ze kijken beide naar boven, naar de flikkerende lamp dus, en dan zegt Laurent:” we moeten een maatschappij oprichten die zoiets tegen gaat.” En dan zegt zijn fondsenbeheerder: “maar dat bestaat al heel lang, dat heet Electrabel en daar vragen we veel geld en geven geen uitleg en het strafste van al is dat is dat niemand protesteert.” En dan gaat de camera naar beneden en zitten op een oneindige berg van overschrijvingsformulieren. En daar helemaal beneden zit een kantoorklerk met een groot rekenmachine die zich dodelijk amuseert met allemaal cijfertjes die door de lucht dansen als van die lichtlijnen. En de slagzin is: “Electrabel, niemand die weet dat hij zo heet.” En daar dan een lachend lichtgevend gebit achter van de fondsenbeheerder van prins Laurent. Kafkaiaanse toestanden, dames en heren. Ondanks alles blijven ze het in stand houden. Ik weet niet wie het nog leuk vindt maar het is er nog steeds!

 

Mijn lijflied.

 

 

Dit nummer heeft me al in vele stadia van mijn leven gezelschap gehouden…Ik ben opgegroeid met Jacques Brel in de omgeving. Hij brengt zijn teksten met een gevoel voor gevoel. Iets wat lijkt te verdwijnen, niet meer mag, onhandig is, of dat alleen nog in krampachtige vorm schijnt te bestaan. Misschien is dat dan wel liefde?