Gisteren moest ik veel vergaderen over toekomstige projecten. Enkele van deze projecten werk ik met mensen “met een beperking”.  Wie niet, vraag ik me dan af?!…

Wat me steeds opvalt of het nu over “gewone” mensen gaat of mensen met “een beperking” is het eeuwige gepamper van hun begeleiders. Tijdens één van de vergaderingen kreeg ik een lijst onder mijn ogen wat ik niet mocht.  Als je je aan die lijst houdt dan wordt communiceren inderdaad bijzonder moeilijk; als een slang moest je boven (zeker niet onder) en voor (zeker niet tussen) deze mensen bewegen. Toen ik vroeg waarom dat zo was zei een begeleider tegen me, “ze zijn ziek.”. Ondertussen heb ik al enige kilometers in dit werkveld afgelegd en weet ik dat met een groep mensen werken – of ze begaafd of minder begaafd zijn – inhoudt dat er soms een complexe emotionele huishouding moet beheerd worden.  Maar dat je het individu niet mag simplifiëren laat staan onttrekken van andere individuen die mogelijk anders zijn.

“Ik lig er wakker van…”, zei iemand een vergadering later, “…hoe ik contact kan krijgen met iemand die de hele tijd naar beneden kijkt.”. Ik suggereerde dat ze misschien is moest proberen om wel in zijn ogen te kijken? “Dat mag niet”, zei ze, “we mogen niet te veel prikkels geven.”. Ze is beeldend kunstenaar en opzoek naar de synthese tussen de complexiteit van de mensen waar ze mee werkt en het behoud van de intimiteit van haar werk. Ze denkt dus vanuit zichzelf als kunstenaar en niet vanuit de mensen waar ze mee werkt. Deze houding stoort me omdat dit een rechtlijnigheid veroorzaakt die er misschien wel netjes uitziet maar elke vorm van verhalen vertellen vanuit de mensen zelf dood.

Je moet het aanpakken, kijk ze in de ogen, ga er tussen staan, kruip eronder, ga desnoods op hun rug zitten om hun verhaal te weten te komen. Geloof me, er zijn veel zachtere manieren om dit te weten te komen maar in tijden van wanhoop durf ik al wel eens overdrijven. Maar bovenal,  gebruik hun verhaal om samen een verhaal te vertellen. Maak van hun “beperking” een kracht. Dat is de sleutel. Ik zakte in elkaar, stapte de auto in naar een volgende vergadering en dacht aan de woorden van Oliver Sacks in de man die zijn vrouw voor een hoed hield;

“Om het menselijk wezen weer in het middelpunt te plaatsen – de lijdende, gekwelde, vechtende mens – is het nodig een ziektegeschiedenis uit te diepen tot een vertelling of verhaal: alleen dan hebben we zowel met ‘wie’ als met ‘wat’ te maken, met een werkelijke persoon….”

 Deze gedachte sterkt mij in m’n tocht om de confrontatie aan te gaan en de betrokkenheid op te eisen van alle deelnemers. Dit levert geen grote kunst op maar meer wereld in een werkelijkheid die al te vaak wordt afgeschermd.

Daar in de woestijn leven mijn studenten. Daar waar het stil is. Daar waar je deze ochtend geen adem voelde. Daar waar de zon deze ochtend anders lichtte dan anders; alsof daarboven iemand een luik open deed en dit stukje van de planeet oplichtte. Vandaag huil ik vanbinnen omdat ik voel dat de buitenkant stil moet zijn. Daar voel je de doffe bas van het geven en nemen van dit leven.

Als kind kon ik er maar niet aan uit hoe de maan in Antwerpen dezelfde als in Limburg kon zijn?  Ik had de verhoudingen van deze planeet gemist maar dat gebeurde wel meer. Deze week scheen de maan verblindend fel. Het chloorwitte maanlicht bleef roerloos hangen en toonde me vele nachten de weg terug naar huis. De laatste week was als een ritueel – wanneer is het dat niet – waarop we ons langzaam voorbereiden op wat komen gaat en wat hier is. Samen met mijn studenten uit Lommel speelde we ZWARTE ENGEL op de opening van PONT. PONT is een project waar we al vele jaren van dromen en dat -dankzij de steun van de provincie Limburg – van start kan gaan in HETDOMMELHOF in Neerpelt. Meer dan een symbool is PONT een noodzaak.  Niet sociaal-artistiek,  maar een noodzaak.Geen boeken die mensen in een hokje stoppen. De kunsteducatieve sector speelt (nog) geen wezelijke rol, da’s duidelijk. We moeten er meer ondersteuning voor zoeken en die rol zal PONT met veel liefde spelen. Maar daar vertel ik later nog wel eens over. Na zo’n week waar ik mijn gezin alleen in het maanlicht zag terwijl ik de voetsporen van hun dag reconstrueer en we communiceren met briefjes kwam ik vandaag mijn vrouw weer tegen. Ze had haar moeder aan de lijn en was triest omdat we net een weekend hebben gepland op een dag dat haar grootouders een feestje voor hun huwelijksjubileum hebben gepland. Dat zal je nu altijd zien, je kan niet met je ogen knipperen of er wordt iets anders gepland. Ik ga in bad zitten en week een weekend coaching van mijn lijf. De komende week zal de maan er minder zijn maar de tochten naar Leopoldsburg, Lommel, Lint, Leuven, Aarschot en Maastricht niet minder fijn. De maan is er altijd.

*“Dit is een sterke voorstelling, die het moet hebben van zijn poëtische kracht en theatrale verbeelding.”…COBRA.be

*“In De tocht van de olifant beweegt de olifant zelf niet, maar zet hij alles rondom zich in beweging – niet in het minst de gedachten van het publiek. Dat is de verdienste van José Saramago’s roman, maar ook van Stefan Percevals sobere en juiste regie bij HETPALEIS…..De hele productie deint mee op eenzelfde onverstoorbare tred, en dat brengt een weldadige rust met zich mee. De muziek krijgt de ademruimte die haar toekomt, het spel van Eggers en Van Eeghem is ingetogen, tot nederigheid gedwongen door de olifant, lijkt het wel….” De Morgen.

*“Je verbeelding wordt geprikkeld door de rijke muziek, het heldere verhaal en de speelse regie. Zo kleur je zelf het zwarte en schemerig belichte scènebeeld in. Het maakt De tocht van de olifant tot een intrigerende reis die de (vaak) botte houding tegenover ‘de ander’ – meer bepaald: vreemden en dieren – subtiel schetst.” Knack.

 

*“Dit was super, zo intimistisch, zo grappig, met zoveel diepgang toch ook !  Hoe je met suggestie, weinig acteurs, weinig kleur, …  zo’n levendige en duidelijke voorstelling kan krijgen….Dit was een magisch sprookje !” Goedele.

Stefan Perceval maakt theater met leerlingen uit het buso

Wat is het grootste mirakel van deze wereld? En kan je je weerstand voor de dood, de liefde of het leven opzij zetten? Dat is de hamvraag in ‘De Zwarte Engel’, een theaterstuk dat acteur en regisseur Stefan Perceval samen met de leerlingen van Buso Zonneweelde in Lommel maakt. “Binnen onderwijs is er te weinig aandacht voor kunsteducatie naar bijzondere doelgroepen”, vindt hij. “Terwijl zij net heel veel nood hebben aan applaus.”

“Hoe zie ik mezelf? En hoe ziet de wereld mij?” Christiaan – snor in de dop, lood in de schoenen – vuurt de twee vragen wat onwennig af op zijn klasgenoten. Samen beelden ze hun dromen uit op de scène. De ene wil tennisser worden, de andere voetballer, een derde miljonair. Ze tonen fier hun toekomstbeeld: heldere blik, borst vooruit. Maar die dromen botsen vaak met de verwachtingen die anderen van hen hebben. Verlegen draait Christiaan zijn rug naar het publiek. “Als ik in de spiegel kijk, zie ik een achterlijke”, fluistert hij me in de pauze toe.

“De samenleving heeft veel vooroordelen over het beroeps- en het buitengewoon onderwijs. Dat tekent deze gasten”, zegt Stefan Perceval. Hij begeleidt hier al voor het tweede jaar op rij een theaterproject. “Ik schrijf dit stuk niet voor hen, maar samen met hen. Ik vraag wat hen bezighoudt, waar ze ’s nachts wakker van liggen, waar ze van dromen. Veel van deze leerlingen worden klaargestoomd om later in een beschutte werkplaats aan de slag te gaan. Daar ben ik het niet mee eens. Er zit een waardevolle mens in elke jongere. Die wil ik samen ontdekken.”

Dromer
Eerder maakte Perceval ‘Wij?’, met beroepsjongeren van het VTI in Kontich. Een wereld die hij goed kent, want hij komt zelf uit het beroeps. “‘Stefan is een dromer’, zei de mevrouw van het CLB in het laatste jaar van de lagere school. Daar ben je op een college niks mee, naar het schijnt. Dus moest ik iets met mijn handen gaan doen. Ik koos voor de hotelschool, een strakke hiërarchische opleiding. Ik heb dat graag gedaan, maar besloot op mijn achttiende toch mijn dromen te volgen en een andere weg in te slaan.”

Het werd een theateropleiding in de Studio Herman Teirlinck. “Een Fame Academy waar iedereen alles heel goed kon. Heel frustrerend. Gelukkig had ik in het beroeps wél geleerd om mijn mond open te trekken. Op mijn toelatingsexamen overtuigde ik de jury met mijn eigen levensverhaal. Maar in mijn eerste weken liep ik tegen een gigantische muur op. Alle boeken en theaterstukken waar medestudenten mee dweepten, kende ik niet. Hoe je groenten moet snijden, dat wel. Ik zag het niet meer zitten, wilde opgeven. Gelukkig hield wijlen Wannes Van de Velde me tegen. ‘Kijk niet naar de buitenkant. Wat achter het muurtje zit, dat telt.’ Dat probeer ik nu ook te doen met deze leerlingen: ik wil mee zoeken naar het potentieel in ieder van hen. Ik leer ze anticiperen, improviseren, vooruitkijken. Zo prikkel ik ook hun nieuwsgierigheid.”

Ik hou van u
Op het podium zwermen tien meisjes rond Robin. Ze fluisteren allemaal samen in zijn oor: ‘Ik hou van u’. Je ziet hem zweten, maar ontploffen doet hij pas na de repetitie. “Vind je dat vreemd? Zo veel aandacht, dat doet wat met zo’n jongen”, zegt Perceval. “Veel van deze jongeren krijgen hier pas voor de eerste keer applaus, een staande ovatie zelfs. Dat is een heel sterke motivator. Zeggen dat je iemand graag ziet, is voor veel jongeren moeilijker dan iemand uitmaken voor loser. Ik leg hun uit dat ze daar niet bang van hoeven te zijn. Ze mogen hier medeleerlingen vastpakken, aanraken, aankijken. Bij veel mensen staat het verstand vaak in de weg van hun gevoel. Niet bij deze leerlingen. Zij hebben meer fantasie en emotionele bagage dan sommige professionele acteurs.”

Grote mond
Theater vraagt ook om discipline. Stilte. Concentratie. “Daar hebben deze jongens en meisjes het vaak moeilijk mee. Daarom laat ik ze bij de start van de voorstelling op één lijn staan. Ze mogen zich niet laten afleiden door de anderen of elkaar niet uitlachen. Dit is topsport. Ik pamper ze niet, maar maak wel duidelijk wat de regels van het spel zijn. Leraren schrikken daar soms van. Maar ik ben een theatermaker, geen psycholoog. Als leerlingen geen respect hebben voor elkaar, vliegen ze eruit. Ik kan er niet tegen als de sterken de zwakkeren kopje onder duwen. Dat botst met mijn rechtvaardigheidsgevoel.”

“Ooit nam ik een klas uit het buitengewoon onderwijs mee op sleeptouw naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. De leraar had mij op voorhand gewaarschuwd. En ook het museum was er niet gerust op. De gids briefte mijn busoleerlingen uitgebreid over de regeltjes. Ondertussen zette een aso-klas uit een of ander college het hele museum op stelten. Ik toon mijn leerlingen een schilderij van Van Eyck. Zegt er eentje in de volgende zaal: ‘Zeg Stefan, die witte eiergezichtjes, is dat ook Van Eyck?’ Dat hadden die kerels van het college niet gezien, hoor.”

Bezigheidstherapie
“Je kunt cultuur niet zomaar in de strot van jongeren rammen. Daarom ben ik ook tegen schoolvoorstellingen. Een kudde leerlingen zonder een degelijke inleiding of uitleg anderhalf uur in een donkere zaal droppen is geen cultuureducatie, maar bezigheidstherapie. Kan je het leerlingen kwalijk nemen dat ze dan het kot afbreken of een fuck you-vinger opsteken naar de acteurs? Niemand heeft hun ooit uitgelegd hoe theater werkt. Erger nog: vaak zitten de leraren zelf op café tijdens de voorstelling. Eén keer ben ik ze daar zelf gaan opzoeken. ‘Het is gedaan, je mag ze komen halen.’ Als ik leraren uitnodig naar de repetities, is dat niet om hun huiswerk te verbeteren. Ik wil dat ze anders leren kijken naar hun leerlingen. Maar bij veel leraren is het oordeel over leerling x of y op maandagochtend al gevormd. Dat is heel jammer.”

“Ik hoop dat cultuur op school binnen tien jaar niet langer iets is ‘voor na de uren’. Nu leggen veel leraren de lat gewoon te laag. Een workshop graffiti of hiphop boeit jongeren niet per se. Elke kunstenaar zou verplicht moeten worden om naar leerlingen te luisteren en samen met hen projecten op te zetten, vooral voor de meest kwetsbare doelgroepen. Waarom zou je vijftienjarigen in het tso niet kunnen uitleggen wat surrealisme is? Dat kennen ze soms beter dan de leraar zelf. Evenmin dient cultuur om de gefnuikte ambities van de leraar Frans te realiseren, die ooit Herbert Flack mét pruik in een stuk van Molière heeft gezien en nu koste wat het kost datzelfde stuk op school wil opvoeren met zijn favoriete leerling in de hoofdrol. Voor mij hoeven die pruik en die show niet. Ik vraag deze groep niet om hier een toneeltje voor mij te komen spelen. Ik wil dat ze zelf trots zijn op wat ze doen en hun eigen dromen verkennen. Niet de mijne.”

Hart
“Vorig jaar wilde een jongen in een andere school niet meespelen. Hij had weinig vrienden, zat vaak alleen. Blijkbaar kreeg hij op internaat haast nooit bezoek, vertelden zijn leraren. ‘Wat wil je dan doen?’, vroeg ik hem. ‘Een hart lassen’, zei hij. Geen bank, geen stoel. Neen. Een hart. Hij heeft het gedaan, en het hart heeft de hele voorstelling op het podium gestaan. “‘Wat moet ik nu doen met dat hart, Stefan?’, vroeg hij mij na de première. Wel, met die vraag zal hij zijn hele leven bezig zijn. Gelukkig maar.”

 

 

De tocht van de olifant was gisteren zowel op RADIO 1 in “de ochtend” als bij KLARA in het programma “Babel”. Klik op de link om het interview en de reportage te herbeluisteren.