De repetitievloer

We staan op de repetitievloer en de mobiele telefoon van een Oekraïense vrouw gaat. Ik vraag haar om hem af te duwen zodat we verder kunnen repeteren maar ze neemt op. Het is een face-time gesprek met iemand die doof is, denk ik, want ze roept zo luid dat ik de repetitie moet stil leggen. Ik loop naar haar toe met de vraag om ergens anders te gaan telefoneren. Ondertussen draait ze haar telefoon naar me toe en daar zit  een man gehuld in een camouflagepak in een loopgraaf ergens in Oekraïne. “Man.man.”, wijst de vrouw en de repetitievloer zakt onder mijn voeten weg. Terwijl we een wereld van verbeelding creëren kijk ik naar een man die diep in de modder een oorlog moet uitvechten. Ik steek mijn duim in de lucht en zeg met een raar Engels – accent dat zijn vrouw een goeie actrice is. Hij lacht en steekt ook zijn duim in de lucht. De vrouw roept hem nog na en dan is de verbinding verbroken. Ze steekt haar mobiele telefoon in haar handtas en vertelt diezelfde avond dat ze graag een dolfijn zou willen zijn.

We staan op de repetitievloer en spelers vragen om naar buiten te komen en daar staat een Afghaanse jongen met een pakje gewikkeld in geschenkpapier voor de deur van ons theater omringd door zes grote tassen gevuld met dekens en een tapijtje. Hij lacht vriendelijk terwijl er uit een auto met het logo van een stad een man stapt en van ver vriendelijk lachend met een zekere haast in zijn stem me meldt dat deze jonge man bij mij komt wonen. “Jij bent toch van dat theater waar iedereen welkom is?!”, terwijl de jonge Afghaan nog steeds klaar staat om het pakje aan me af te geven. Ik zeg de man  met de auto met het logo van de stad dat ik in het verleden wel eens mensen opving in de kamertjes in mijn theater maar dat ik daarvoor op mijn vingers getikt ben door de overheid. “Ik leef veel meer op de golven van het leven, wat komt komt.” En hij slaat de deur van zijn elektrisch voertuig met het logo van een stad dicht en rijdt weg. Daar staan we dan. Een jonge Afghaan en ik. De overheid sluit massaal asielcentra terwijl er wereldwijd de grootste volksverhuizing bezig is die we ooit gekend hebben. Nog voor je ooit de kans krijgt om asiel aan te vragen dumpen ze je al.

Onlangs was ik met één van mijn spelers meegegaan naar het commissariaat voor de vluchtelingen om te getuigen. Een kleine zaal volgepropt met mensen van over de hele wereld waar in alle ogen de angst danst dat ze ons land moeten verlaten; vrouwen met kinderen, tandeloze bejaarden, jongeren…..Wie of wat je ook bent word je toegesnauwd dat je je aan de regels moet houden. In ons geval mocht ik niet mondeling getuigen maar wel een brief schrijven met mijn motivatie waarom ik vond dat deze speler in ons land mocht blijven. Dat deed ik. Hoe deze “rechtbank” te werk gaat is hallucinant. In een recordtempo overloopt een soort van rechter, griffier en een vertegenwoordiger van vreemdelingenzaken moedeloos het eene na het andere dossier. Soms waren er tolken die even neerbuigend de vertaling deden als het oordeel van het volkje achter de balie. Eén ding was duidelijk: als je niemand kende die je via andere wegen verder kon helpen dan was/ben je een vogel voor de kat en beland je in de illegaliteit.

Terwijl we daar zo staan komt er een groepje Afghanen om de hoek gewandeld en roepen hem toe. Hij verzamelt haastig zijn tassen en loopt hen achterna. Hij verdwijnt en ik zie hem niet meer terug. Op de repetitie vertelt een meisje in een rolstoel dat ze droomt om te stappen.

We staan op de repetitievloer en begeleiders brengen één van mijn favoriete spelers binnen. De begeleider fluistert in m’n oor dat deze speler vanaf nu palliatieve zorgen krijgt. “Laat hem nog één keer shinen, Stefan.”. Dat zal ik doen. Dat is wat ik kan. Dat is al wat ik kan. Daar op de repetitievloer waar het leven ongenadig om zich heen grijpt.

Plaats een reactie