Ik zat in de kantine van Studio Herman Teirlinck en wist niet hoe het met me voort moest. Had het gevoel dat ik niks kon. Iedereen kon fantastisch zingen, dansen, instrumenten bespelen, spelen…en ik, ik stond met mijn handen in de lucht telkens er iemand wat zei. Dit hele acteursgedoe was niks voor mij. Ik ging er mee stoppen, ging met een vriend op een cruiseschip werken, ver weg van alles wat vlaamse walgelijke acteurs waren, dacht ik. Ik zat in de kantine van Studio Herman Teirlinck en schreef mijn frustraties in een boekje. Wannes Van de Velde was één van onze leerkrachten, hij gaf in die periode gitaar. Hij kwam naast me zitten en vroeg me wat ik aan het schrijven was. Ik las het hem voor. “Gij zé ne schrijver.”, lachte hij me toe. Ik vroeg hem wat zijn inspiratie was. Hij zei,”ik loop deur de stad, ik ben in een straat, op ’t einde van die straat is er ne muur, wat is er achter die muur? Denkt daar is over na?.” Hij stond op, gaf me een schouderklop.”En Perceval, ni opgeven, hé!” Zijn woorden waren grote waarheden aan kleine belletjes. Als acteur en regisseur en schrijver kwam ik hem soms nog tegen in de Gounod, het alreeds ter ziele gegaane acteurscafé, waar Wannes soms overdag de krant zat te lezen. Dan spraken we over theater, teksten, muziek, het leven en alles wat dat met zich meebrengt. Dikwijls herinnerde hij me aan ons gesprek in de kantine en dan vroeg hij me of ik nog “’t heilig vuur” had? De passie die nog is om dit vak voor het volle pond uit te kunnen oefenen. Hij volgde me, zelfs toen hij ziek was wist hij perfect waar en hoe ik bezig was. “’k Heb gelezen dat da nogal goe was.”, of, “ja ‘k heb da gehoord dat da ni zo goe was maar ge moet blijven oefenen, hé Perceval.” Deze ochtend is hij gestorven, ik zal hem zeker missen. “De Wim.”, zoals alleen mensen die hem heel goed kende mochten en durfde noemen. Dat heb ik nooit gedaan.
Categorie: Zonder categorie
Een beetje zomer sterft.
Een zoveelste stukje van wat de zomer is sterft. Gelukkig blijft muziek bestaan.
hooggevoelig weekend
Het is weekend, voor sommigen een lang weekend. Voor mij is het ook weekend alleen weet ik niet hoe lang want ik heb heel veel schrijfwerk. Het goeie daaraan is dat ik zelf bepaal wanneer ik schrijf. Ik schrijf graag. Dat is zo. Maar ik kan ook maar één uur per dag schrijven. Da’s niet handig als je veel schrijfwerk hebt. Maar ik kan me niet langer dan een uur concentreren op het schrijven. Heb ik altijd gehad maar nu kom ik er achter dat het niet handig is als je veel schrijfwerk hebt. In dat uur schrijf ik wel heel veel en soms lukt het me ook om ’s avonds nog een uur te schrijven maar dan moet ik echt al een geniaal idee hebben…Die heb ik, wees niet getreurd, heel veel dus meestal schijf ik ’s avonds ook. Dan overwin ik mijn autisme en mijn hooggevoeligheid, maak ze partners in crime en gaan de sluizen van mijn geest open. Maar nu heb ik dus een fantastisch lief, ze heeft me afgewezen da’s waar en ik duw haar vandaag of morgen de deur uit,, maar ze blijft fantastisch. Zo gaat dat met een lief hebben, vandaag boven – morgen onder. Nee, alle gekheid op een stokje, maar ik moet ook met haar bezig zijn en da’s niet evident als je de eene geniale inval na de andere hebt en wil en moet schrijven. Dan lukt dat niet. Dan denk ik, ik schrijf het straks wel op maar dan wordt straks door allerlei omstandigheden morgen en dan ben ik vergeten wat mijn geniale idee was en dan loop ik te mokken omdat ik het niet meer weet en dan zit ik vast en dan moet mijn lief me troosten en als ze d’r niet is niemand en dan is het weekend en dan kijk ik naar buiten en denk, ’t is mooi weer en dat is het dan.
Het enige wat ik wil zeggen is dat ik graag werk, veel werk en dat ik dat dus ook in het weekend doe en als ik dan iemand van de vakbond zie, waar je toch geen bal aan hebt als je op straat staat,die meldt dat er extra premies moeten komen voor weekendwerk omdat ze anders het werk neerleggen of mensen op hun smoel timmeren dan vraag ik me af of die mensen dat werk dan wel graag doen of misschien is iedereen wel een beetje gefrustreerd omdat ze eigenlijk graag iets anders doen,iets beters. Wat weet ik niet. Maar iets…
Iedereen verdiend een goe lief.
de zee blijft.
Ik stond in Oostende in een café. Naast me kwam een man zitten.
Ik ga wel vaker naar de zee als ik moet schrijven, ergens vanaf wil zijn of lief wil hebben.
Dat zijn allemaal goeie redenen om naar zee te gaan. Om het in de zee te gooien en te kijken wat zij er allemaal mee doet. Ik stond dus in dat café en er kwam een man naast me zitten. Dat op zich is niet zo vreemd maar de man herkende me. Ja, ik heb een tijdje op televisie meegespeeld, ja, ik ben acteur. Ja, ik beken. Meestal zeg ik, als ze me vragen waar ze mijn gezicht van kennen dat ik gisteren een oud vrouwtje heb vermoord in Oudenaarde en dat dat op het nieuws was. Je ziet ze dan even wegkijken, denken en dan schuiven ze een stoel op. Want nu eerlijk, ik kom al een eeuwigheid niet meer op die beeldkast en de gek die me nu nog herkent van de komediereeks die ik ooit gespeeld heb heeft echt niks meegemaakt in zijn leven.
Maar deze man vroeg me of ik Almir vermoord had? Nee, dat heb ik niet en de man die denkt dat er echt een moordenaar in me schuilt die kijkt dan weer te weinig televisie om een echte van een valse boeventronie te onderscheiden.
“Nee, ik heb Almir niet vermoord.”, zei ik,”Ik ken Almir ook niet.”
De man dronk zijn pint leeg, knikte en ging weg. Die avond kwam er nog een zatte vrouw naast me zitten die me ook herkende. Haar verhaal was veel schrijnender, haar man zat in de gevangenis, ze had een dochtertje en ze moest er helemaal alleen voor zorgen. Dat wekte bij mij zulk een medelijden op dat ik deze vrouw en haar dochterje gelijk wilde adopteren maar ik mocht er niet aandenken wat er met me zou gebeuren mocht die man uit de gevangenis komen. Ik liet haar begaan toen ze me vroeg om mee naar de toiletten te gaan.Ze viel van de trap, ik heb haar recht geholpen, ze begon me te kussen maar ik duwde haar van me af. Ik liep naar buiten, naar de zee, in de verte zag ik een boot. En ik dacht aan de bemanning die op een paar vierkante meter dagen, weken, maanden moeten samenhokken. Wat voor een spanningen dat allemaal niet veroorzaken zal? Als je ziet dat ze in deze wereld mekaar al de kop inslaan voor het minste geringste wat moet dat dan niet op zo’n schuit zijn te midden van de oceaan?
Ik ging slapen en de volgende dag met de trein weer naar huis. Toen ik thuis kwam vroeg ik mijn vrouw om samen te blijven en een kindje te maken. Dat hebben we gedaan, nu zijn we al lang uit elkaar, het kindje is er,we doen co-ouderschap maar de zee blijft ruisen
wereldse kopstoot met een verleden.
Terwijl de wereld zich hopelijk klaar maakt voor een historische kopstoot. Duik ik even het verleden in voor het goede doel.
“De voorbije week ontvingen alle basisscholen in de provincie Antwerpen gratis het luisterboek al 90 keer Nooit Meer. Het Vredescentrum van de Provincie en de Stad Antwerpen en HETPALEIS grijpen met deze cd de viering van 90 jaar Wapenstilstand aan om leerlingen al van in het basisonderwijs bewust te maken van de symbolische betekenis van deze herdenking in de hedendaagse geschiedenis. Via een reeks korteoorlogsverhalen – speciaal voor dit project verzameld en geschreven – willen we de kloof tussen heden en verleden overbruggen.zesdeklassen van de provincie Antwerpen deze week (3-7 november) in een gezamenlijke actie dagelijks een moment inlassen voor zo’n verhaaltje, liefst rond 11 u.Het project is niet opgevat als een éénmalige actie. De cd kan jarenlang gebruikt worden in de aanloop naar Wapenstilstand. Leerkrachten kunnen hiermee op een sprekende manier stilstaan bij ‘oorlog en vrede’ en het belang van herdenken. Om het project extra in de verf te zetten trekken enkele acteurs erop uit om zelf voor te lezen.
Het opzet is eenvoudig. Op de cd staan vijf verhalen ingespeeld door podiumkunstenaars. Iederverhaaltje duurt gemiddeld een tiental minuten. Auteurs en lezers van dienst zijn: Stefan Perceval, Dimitri Leue, Joke van Leeuwen, Kerensa Verhoosel, An De Donder en Hanneke Paauwe.Het is de bedoeling dat alle
Zelf lees ik voor op donderdag 06 november om 11.00 u. in de Arthurschool in Borgerhout. Iedereen welkom!
geflitste afwijzing
Ik stond naar de walnoten te kijken. Mijn lief is naar Frankrijk geweest en had walnoten bij.
Ik had haar net gevraagd of ze met me wilde trouwen maar ze zei dat ze dacht dat dat misschien wat te vroeg was. Kijk, en dat zijn dan van die dingen waar je even moeilijk van kijkt want dat wil je natuurlijk niet horen. Nee, je wil horen dat ze ja roept en in je armen valt en zegt dat jij de meest perfecte man op deze aardkloot bent enzovoort maar niet dat ze denkt dat het te vroeg is. Waarom?, vraag je je dan af. Wat is er te vroeg? Het openbaar vervoer? En dan meteen een sprong naar, geboren worden? Wat?
Ik kon deze in sluiers gehulde afwijzing niet aan. Kijk, ik ben een man van 35 met een kind en ik begrijp dat er veel op me aan te merken is maar dat het te vroeg was om met me te trouwen? Daarna ontspinde zich zoiets als een vrijpartij maar ik besefte dat ik geflitst was en dat ik de daaraan gekoppelde boete nog moest betalen en heb dat even gedaan. Ik was te snel. Ik was teleurgesteld. Niet in mezelf als chauffeur – want ik ben een heel goed chauffeur- maar in mijn eigen domme romantische beeld van dit leven. Ik vraag iemand ten huwelijk en ze zegt nee. Ja, dat doe je dus geen tweede keer in je leven. Dat voel ik nu al. De reden waar ik de boete vandaan heb is ook totaal belachelijk, ik werd geflitst omdat ik een andere wagen wilde duidelijk maken dat zijn remlichten de hele tijd aanflitste en dat dat wreed irritant was. En ik stak hem voorbij en toen flits! Ja, dat doe je dus ook geen tweede keer. Ieder het zijne.
Mijn vader zegt het me meermaals, “Stefan, je hebt maar één goede vriend en dat ben jezelf!”. En hoe ouder ik word hoe meer gelijk ik die vader van me begin te geven. Weet niet of dat dat een goed teken is maar beter zo’n teken dan geen teken en dat brengt me dan terug bij de afwijzing. Eind goed al goed.
’t Is maar hoe je het bekijkt.
Daar het gevaar te mishagen vooral voortkomt uit de moeilijkheid juist te beoordelen wat onopgemerkt blijft en wat niet, zou men zo verstandig moeten zijn nooit over zichzelf te spreken, omdat men er bij dit onderwerp zeker van kan zijn dat het gezichtspunt van de anderen en dat van onszelf nooit zullen overeenstemmen.
Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd
Voor de doden.
Tranen bengelen langs muren van steen.
Schoon is het wel
Maar het doet zo’n pijn.
Als ge denkt dat ge eindelijk uw doel bereikt hebt dan schieten ze u naar beneden.
Vaders, moeders, broers, voelen hier geen genade.
Als de zon dan wegtrekt en het zicht wordt klaar dan pas weet ge hoeveel schade er is.
Huilen vanbinnen is nooit leuk.
Steden van mist.
Mensen die kronkelen
Omdat niemand de juiste woorden vindt.
Onnatuurlijke kracht wordt ontwikkeld om ons zelf een houding te geven.
Kracht – patser.
Sol – daat.
Een muzikant met een geweer zijn hand.
Niet meer denken.
Geen vaders, geen moeders, geen broers die schreeuwen om een verlies.
Ge zijt ne man
Ook al fluistert uwe geest van niet.
Ga door.
Volg het spoor.
Man met grote handen.
Soms vraag je je af hoe mensen op deze blog komen? In de blog statistieken zie je dat mensen op deze blog op de meest vreemde trefwoorden zoeken en hier terecht komen. Bijvoorbeeld als je op “man met grote handen” zoekt dan kom je bij mij terecht. Wel ik kan je verzekeren, ik heb de kleinste handen van de hele wereld! Al eeuwen word ik uitgelachen met mijn handen dus is het echt te maf voor woorden dat ik in de googlezoekmachine geregistreerd sta met “man met grote handen”. Wat ik me wel af vraag is waarom mensen dat zoeken, “een man met grote handen.”? ’t Zou natuurlijk van alles kunnen zijn maar ik denk dan, omdat ik zelf ook aan ’t verbouwen ben, omdat ze iets groots moeten versjouwen. Of misschien is het wel een heel klein mevrouwtje die opzoek is naar een man met grote handen om haar in één keer op te heffen. Misschien wil ze dat wel eens meemaken? Wat zou jij kunnen doen met een man met grote handen? Ik heb ooit, en daar is hij weer!, Jean Marie Pfaff een hand gegeven. Jeezes, wat heeft die man grote handen seg! Daar konden de mijne makkelijk vijf keer in. Eerlijk, denk ik dat het een handicap is als grote handen hebt meer dan ik met mijn kleine handen. Gisteren ben ik naar Bert Kruismans’ nieuwe show gaan kijken in Aalst. En die heeft een grote snor. “Grote snor”. Nu ik dat heb geschreven komen er dus nu ook mensen op mijnen blog die iets moeten weten over een grote snor. Misschien moet ik daar dan iets over schrijven? Maar ik heb geen snor. Meer nog, ik sta echt belachelijk met een snor. Bert Kruismans staat goed met zijn snor, maar ik? Je moet het als vrouw ook willen, hé. Zo’n snor. Ik denk dat het kriebelt.
Ik ben het liefst van al zacht in mijn aangezicht.Ja,zacht! En ik doe dat niet voor de vrouwen, hé! Ik doe dat voor mezelf want ik krijg uitslag als ik mijn stoppels laat staan. ‘k Zal u vertellen, ik heb me nooit leren scheren. ‘k Heb op tournee geleerd hoe een man zich scheren moet en daarvoor klote ik zomaar wat aan en ik kan u verzekeren, ik zag er ni uit. Maar nu weet ik het ongeveer, ik heb het mezelf geleerd, en nu scheer ik me dus elke dag. Zacht, met mijn te kleine handen.
Nonkel Jef.
Nonkel Jef is dood. Nonkel Jef was de man van tante Maria. De zus van mijn vader. Vele zomers ging ik bij hen logeren. Tante Maria en nonkel Jef namen me dan naar al de plekken die ze gingen bezoeken. Tante Maria was voorzitster van de PVV – dames in Beringen en moest- omdat ze dat zelf wou- goed aanwezig in het plaatselijke leven. Kin – avonden, naar het Koersels kapelleke…Tante Maria vooraan en nonkel Jef er achter. Kijkend, sigaretten rokend en knikkend naar al die mensen die hij vaag kende. Nonkel Jef hoorde slecht en lachte luid. Maar nooit uitbundig. Z’n lach bleef altijd achter z’n tanden en toch rolde soms tranen van vreugde over zijn wangen. Elke ochtend lazen nonkel Jef en tante Maria de krant, daarna reden ze naar de bakker of ging tante Maria naar de kapper en nonkel Jef bracht haar en wachtte. Met mijn vader besprak hij de politiek, de sport, het leven tout court maar nooit ging hij ergens tegen in. Hij liet mijn vader zijn gedacht, luisterde, zei er het zijne van en ging dan naar de kelder om iets verfrissend te halen.
Toen tante Maria stierf werd ze gecremeerd op oudejaarsdag. De koffietafel was in het casino van Beringen. Een grote zaal was voorzien maar meer dan de helft bleef leeg. Nonkel Jef zat en keek en dacht er het zijne van. Elke middag ging hij eten in een plaatselijke taverne. Iedereen vind het normaal dat hij daar was. Te normaal.
Na de dood van tante Maria wilde nonkel Jef ook zo snel mogelijk weg, haar achterna. Hij deed wat hij deed en wachtte.Toen hij ziek werd wilde nonkel Jef geen hulp; geen dokters, geen ziekenhuizen. Kanker was over zijn hele lichaam uitgezaaid. Mijn vader probeerde elke dag bij hem op bezoek te gaan en vertelde hoe hij langzaam aftakelde. En nu is hij er niet meer. Met mijn vader in de buurt is hij gestorven. Mijn vader is vandaag jarig maar vieren doet hij niet. Toch niet echt. Langzaam ziet hij mensen die hem ook nauw aan het hart liggen kwaaltjes krijgen en verdwijnen dat rijmt moeilijk met jarig zijn. Nonkel Jef zal nu al bij tante Maria zijn en tante Maria zal hem aan iedereen die ze kent voorstellen en nonkel Jef zal kijken, knikken en er het zijne van denken.