De werken aan mijn huis zijn inmiddels begonnen. Het stof kruipt tussen de het vele werk en de letters door.  Mijn zoontje van vier droomt – al sinds we hier wonen – van een boomhut. Dankzij het supersnelle internet kan je opzoek gaan naar “boomhutbouwers” maar dat levert buiten exclusieve verblijven in een boomhut niet al te veel op. Dus na het zoeken van aannemers ben ik nu opzoek naar een boomhutbouwer. Zoals mijn zoon het zegt, ” een droomhut”. Van waarop hij de wereld kan aanschouwen en misschien soms ook wel in kan slapen…”Ga je me dan niet missen?”, vraag ik dan. “Papa, ik ben in de tuin. Da’s vlakbij. En daarbij ik zorg er dan voor dat jij goed kan dromen.”. En weet je wat? Ik geloof hem. “Een droomhut zullen we bouwen en als de verbouwingen klaar zijn komt er ook een poes en die zal “minneke jef” heten!”, vervolgt mijn zoon die Jef heet. Met dit mini-miauwend creatuur met een staart zal hij dan de wereld veroveren vanop zijn droomhut. En vader werkt en ligt ’s nachts wakker. En zie mezelf als mijn zoon bij z’n moeder is al met “minneke Jef” een gesprek aan gaan.

Onder de wolken

Zit ik op mijn berg

En ik denk

Aan hoe het was

(En) ik plan

Een meesterwerk

Want vroeger was het beter

ik zag de bomen

Nog door het bos

Door het bos

 

Ik ben de bouwer

Op zoek naar hoe het was

 

Onder de wolken

Sta ik op mijn berg

Tussen stenen

Van  mijn levenswerk

Kijk en zie

Wat ik zie

 

Want vroeger was het beter

Ik zag de bomen

Nog door het bos

Door het bos

 

Ik ben de bouwer

Op zoek naar hoe het was

Tekst van Tom Kets voor “Mijn Hart.”. Merci Tom.

 

Ik ben een luis en verder niets.Ja, ik ben inderdaad een luis, en een luis ben ik alleen al daarom, omdat ik er nu over mediteer dat ik een luis ben, en ten tweede omdat ik een maand lang de algoede voorzienigheid aan het hoofd heb gezeurd en er haar voor als getuige heb aangeroepen, dat niet mijn eigen zin en lust me tot die daad drongen, maar dat het mij daarbij om een hoog en heerlijk doel ging, haha! En dan ten derde, omdat ik mij had voorgenomen  bij de uitvoering van mijn daad met de grootst mogelijke rechtvaardigheid te werk te gaan. Gewicht, maat, rekenkunde – alles moest kloppen! En zo koos ik dan van alle luizen  de meest nutteloze uit en ik nam me voor, haar, als ik haar had doodgeslagen, slechts zoveel af te nemen als ik nodig had, noch min noch meer. En tenslotte, tenslotte ben ik nog een luis omdat ikzelf misschien nog veel akeliger en walgelijker ben dan de luis die ik heb doodgeslagen. O, wat is dat gemeen! O wat is dat laag!

Schat, geef je de suiker eens.

 

Dank je.

 

Nee, schat, dit is de suiker niet, dit is het zout.

 

Dank u wel.

 

Dit is de suiker.

 

Dank u liefste.

 

De suiker zit namelijk in de suikerpot.

 

De suikerpot heeft een blauw dekseltje.

 

Het zoutvat -onzijdig enkelvoud- heeft een groen dekseltje.

 

Blauw!

 

Groen!

 

Ordnung muss sein.

 

Ik hou wel van wat gezelligheid.

 

Liefste, waar is mijn tandenborstel?

 

Nee, dat is die van jou.

 

Ik had een tandenborstel met een blauw streepje.

 

Hij stond altijd hier rechts voor de spiegel.

 

Naast die van jou.

 

Die heeft een groen streepje.

 

Dit is een tandenborstel met een groen streepje.

 

Dit is van u.

 

Dit steek ik niet in mijn smoel.

 

Hygiëne voor alles.

 

Ordnung muss sein.

 

Ik hou wel van wat gezelligheid.

 

Liefste?

 

Liefste?

 

Ben je nog wakker, liefste?

 

Liefste?

 

Ben je nog aan het kijken naar de film?

 

De film?

 

Ben je nog naar de film aan het kijken of was je al in slaap gevallen?

 

Nee, maar ik dacht; als je slaapt kan ik misschien even naar het nieuws kijken of zo.

 

Mag ik het afzetten dan?

 

Maar je was toch helemaal niet meer aan het kijken.

 

Trouwens, de klank stond zo stil dat je het al helemaal niet meer hoorde.

 

Liefste: van wie is die tv hier?

 

Welke kleur heeft dat stikkertje bovenop de tv?

 

Blauw?

 

Hoor ik blauw?

 

Ja?

 

Juist.

 

Wie is blauw?

 

Ja, de video is groen.  Dat is juist.

 

Maar wie is blauw?

 

Wie is blauw.

 

Ik ben blauw.

 

IK BEN BLAUW. 

 

Ordnung muss sein.

 

Ik hou wel van wat gezelligheid.

 

Maar ik ben blijkbaar de enige.

 

 

 

 

Een gebroken hart schuurt tegen de binnenkant van mijn borst

Dit hoort niet te zijn

Want dit doet pijn

Een iets dierbaar heb ik verloren was het liefde waar ik niet voor ben geboren.

Ik weet het niet.

Ik weet alleen;

het doet pijn en dan kan

je alleen maar zijn.

Een hoopje wandelende stof.

Verliefd op de hele wereld.

Maar ik durf het niet te zeggen.

Angst.

Bang.

Slang.

Dat iemand me zal bijten.

Woorden die verwijten en

gillen dan mijn naam.

Huilende moeders in

hoekjes van bedden.

Depressies die niet  vallen te redden.

Daar sta je dan als kind.

Bemind

Alleen te beven.

Vrezen.

Dat het leven ook voor jou zo zal worden.

Nee, jij zal je niet laten breken.

Dat heb jezelf niet in de hand.

Voor je’t weet heb je je verbrand.

De foute glimlach

op de foute plek en je leven staat boven op een hek.

Grootte pinnen en geen van je vrienden weet je te vinden.

Daar sta je dan heel alleen.

Dat is ’t leven.

Niemand om je heen.

Ga. Ga door.

Vecht en loop en wees daarbij nog gezond.

Dan weet je dat je opdracht mislukt.

De etter loopt uit je kont.

Je kan niet terug. Je moet nu door.

Ook al zoek je voor je eigen daden nog een metafoor.

Je wil nu gaan.

Je zult nu gaan en dan voor je’t weet ben je d’r aan.

Opgelopen. Opgebruikt.

Je leven naar de kloten.

Je geest gefnuikt.

Bijf niet zitten onder de spoelbak van je moeder want je moet naar ’t wc en kakken in een kast ruikt naar ongemak en kinderlijkheid die jezelf nu tentoonspreidt.

Ga. Ga door.

Welkom in ’t schone leven zingen we in koor.

Er zit toch iets wreed scheef in deze maatschappij, zulle. Ik ben volop bezig met de voorbereiding van verbouwingen in mijn huis. Gisteren belde ik een aannemer en die man had tijd en deed wat ik vroeg maar toen hij hoorde dat ik Borgerhout woonde bleek dat net een brug te ver. “Neeje meneer, daor kome ‘k ik ni.” . “Ja maar,” , zei ik, “het is over de ring.”. Meestal kalmeert dit argument velen want er is blijkbaar een verschil tussen Borgerhout over de ring en Borgerhout wat er in ligt. Over de ring is het nog ok, in de ring kom je volgens vele in de hel van Tanger terecht. “Borgerhout is Borgerhout, meneer!”, en hij legde de hoorn neer. Ook nu weer schaamde ik mezelf dat ik dit argument überhaupt gebruikt had. Hoe kon ik zo stom zijn me te schamen over waar ik woon? Of dat nu in Oostzwevezele is of in Borgerhout. Toegegeven, Oostzwevezele zal rustiger zijn en er zullen minder migranten wonen en dan? En dan?  Daarstraks vroeg een ober me waar ik woonde –als ouwe televisiecoryfee spreken mensen u dikwijls aan of ge elken avond bij hen op de bank zit-  en toen ik  hem vertelde dat ik in Borgerhout woonde draaide hij zich om en wierp nog even over zijn schouder, “allé, in Borgerokko!”. Ik keek hem minzaam lachend achterna en voelde toch een zekere schaamte over mijn lichaam rollen. Toen vroeg ik me af  of de glimlach op mijn gezicht nu niet totaal ongepast was? Ik woon inderdaad in Borgerhout en daar wonen inderdaad veel migranten maar om nu te zeggen dat het dan slecht is….

 

Vroeger woonde ik met mijn moeder in een sociale woonwijk. Ik schaamde me er over. Zo hard, dat ik nooit aan vrienden zei waar ik woonde. Slechts een handjevol vrienden is in een tijdspanne van tien jaar bij mij thuis geweest. Nu ik groter ben heb ik me voor genomen om dit nooit of te nimmer in wat voor situatie nog te laten gebeuren.Geen schaamte meer. Ik ben wie ik ben met grote en kleine gebreken en al en al…

 

En nu word ik plots weer geconfronteerd met dat belachelijke gevoel en meer nog het zijn anderen die het me opleggen. Net als toen ik een kind was het absoluut not done was te wonen waar ik woonde en een zak van den Aldi mee naar ’t school te nemen omdat je anders niet voldeed aan een bepaald beeld.  Belachelijk, echt waar. Als er me nog één iemand op zulk een neerbuigende toon over Borgerhout aanspreekt dan flik ik ‘em of haar een proces aan het Europees hof voor de rechten van de mens, ofzoiets.

Ik woon in Borgerhout in een huis waar nog veel werk aan is met nen diepe tuin, in een rustige straat en ik zoek nen aannemer die bij mij wil komen werken.

 

 

Wat een belachelijke boom ben jij.

Belachelijk recht. Wie heeft jou ooit verteld zo hoog en recht te groeien?

Jij had geen vader of moeder die tegen jou sprak.

Jij had geen woorden om uit op te kunnen maken wat er van je verwacht wordt.

Hoe wist je dan zo groot te groeien? Heb je dan nooit twijfels gehad?

Nooit gedacht; is zo recht mogelijk omhoog eigenlijk wel de goede weg?

Nooit bij het zien van een struik gedacht; o, ik had mijn takken over de grond naar boven moeten kronkelen, tot een bol van wispelturige takken?

En in de herfst nooit de behoefte gevoelt om de bladeren eens bij je te houden, omdat ze dat jaar wel erg mooi gelukt waren?

De vorm van je stam, je bladeren, geen architect of trend-watcher heeft er aan te pas moeten komen om die vorm te geven. En toch, je staat daar. Met een zekerheid waar ik jaloers op ben. Zeg mij boom, wat moet ik doen? Hoe groei ik ook zo recht mogelijk in mijn eigen stam?