Sic Transit Gloria Mundi, wat zoveel wil zeggen als: zoekt is een ander job.

Gisteren kwam ik iemand tegen en terwijl ze tegen me stond te praten wist ik dat ik ze niet wilde tegen komen. Geloof me, dat heb ik met ongeveer iedereen die ik tegen kom. Ik kom namelijk niet graag iemand tegen. Omdat ik mezelf niet geloof als ik met iemand sta te praten die ik “tegenkom”. Ik heb een gefakte interesse omdat ik niet gevraagd heb om die of die tegen te komen. Nu ja, ik was ze dus tegen gekomen en ik vroeg haar of ze iets wilde drinken en dat wilde ze wel want ze vond het “o zo gezellig om mij nog is tegen te komen!”. Aaargh…een golf van weerzin stuwde door mijn lichaam maar ik beet door en ging met haar op een terras zitten. Ze vertelde dat ze me volgde “in de pers” en dat ze vond dat ik goed bezig was en daarbij kon ze het niet laten om altijd maar weer aan mijn lijf te zitten alsof ik haar goed kende. Alsof ik gevraagd had om haar hier tegen te komen.Niet dus. Toen ik haar vroeg wat zij deed antwoordde ze me kort en bondig: “vast benoemd.”. Ja,zo zei ze het, alsof ze een hardgekookt ei wegwerkte: “vast benoemd”. Ze was dus geboren, had gestudeerd, had van alles gedaan tot ze nu vast benoemd was. Dat was duidelijk haar droom. En terwijl ik met haar zat te praten over hoe vast benoemd ze was herinnerde ik me dat ze inderdaad zelfs vroeger al zoiets van vast benoemd had.In alles wat ze deed eigenlijk; als ze fietste fietste ze zo dat ze niet meer van die fiets af moest. Ik weet nog dat ik met haar paardrijlessen volgde en dat ze toen op die manege rond liep alsof ze net vast benoemd was tot iets in die manege, ik weet niet wat. Laat uw fantasie werken, hé. En ja, en ik heb nog paardrijlessen gevolgd omdat ik nen bange schijter was en mensen vonden dat me dat zou helpen om ne minder bange schijter te zijn maar dat deed het dus niet. Dat paard reed met mij. Ik zat daar zomaar wat op en dat beest wist precies hoe het moest rijden en welke stap wanneer. Op het einde van elke les reed dat paard met mij op zijne rug terug naar zijnen box. Ik moest daar niks voor doen.

En daar zat ze dus; madameke “vast benoemd”. En ze taterde maar over hoe verschrikkelijk vast het was en dat ze al echt met vanalles moesten afkomen om haar daar weg te krijgen en al en al.

Awel, ik heb dat niet. Sterker nog, ik heb bijvoorbeeld dikwijls heel goeie ideeën of neem initiatieven die dan daarna door zo’n soort madameke “ vast benoemd” onder mijnen neus worden weg gepikt. En die daar dan gaan opzitten als een kip op een ei tot ze “vast benoemd” zijn. En ik zal is iets vertellen, ik vind dat niet erg. Ik vind het niet erg dat er mensen met mijn ideeën aan de haal gaan en daar dan héél lang gebeiteld mee zitten. Maar ik heb gekozen om dat niet te doen. Ja, ik was een tijdje verbonden bij allerlei theaterhuizen maar omdat ik niet meer in het plaatje paste ben ik er weg gegaan. En natuurlijk is dat ambetant want ook ik heb een huis af te betalen, ook ik wil graag iets opbouwen zonder de hele tijd met de schrik in mijn broek te zitten dat het morgen allemaal gedaan is maar ik probeer dat voor te zijn. En geloof me, dat is een hele karwei maar dat is ook mijn bestaansreden, noem het; over – leven. En het is waar dat ik blij zal zijn als er een beetje rust is maar ook daar werk ik aan.

Ik nam afscheid van de zilte geur van het vast benoemde en ging verder.

Ik wipte nog even bij de bakker binnen die duidelijk aan vakantie toe was – dat vertel ik later wel- en stond aan het rode licht te wachten toen ik daar een man tegen kwam die ik nu graag tegen kom. Waarom?

Omdat ik hem letterlijk om – de- vijf – jaar – tegen – kom. Zoals jullie wel weten is mijne zoon veel te vroeg geboren en zijn zoon was ook te vroeg geboren en lag samen met mijne zoon in een grote warmte- kamer te groeien. Ik speelde in die periode “de Leenane trilogie” in een regie van Johan Simons. Dat was een vieruur durend spektakel en dat bracht met zich mee dat ik dikwijls pas midden in de nacht terug in de stad was. En dan ging ik in het midden van de nacht naar mijne zoon. Zo, langs de spoedgevallen, naar boven. En dan nam ik hem en legde hem op mijnen buik. Zo heb ik hem ook in ne nacht voor het eerst een fleske melk gegeven. En die andere vader dus was daar ook soms in de nacht of dan toch zeker overdag.

Heerlijk. Ik vroeg hem hoe het met hem was en hij vertelde me dat hij juist z’n job verloren had en als hij na de zomer niks nieuws had hij dan failliet was. Ik stond er bij en keek er naar want ik ken het gevoel; het over-leven gevoel. En dat is niet fijn. Bij mij is het deels een keuze, het hangt samen met dat idioot beroep dat ik uitoefen en ook met wie ik ben. Ik sta namelijk nooit op mijn strepen waardoor ik er langer over doe dan veel grotere knoeiers in dit beroep om te geraken waar ik wil geraken. En weet wat ik zei? Ik,broekschijter nummer 1?

Ik zei tegen hem: “kalm blijven.”. Ik zag dat hij begon te huilen en toen probeerde ik hem op te monteren door naar zijn kinderen te vragen maar dat was dus een foute keuze, hij huilde nog luider. Niks hielp, hij gooide het netje sinaasappels dat hij bij had op de grond en liep weg. “Tot binnen vijf jaar!”, riep ik, “En kalm blijven.”.

Tja, wat had ik moeten zeggen: “zoekt u een ander job.”. Was dat beter geweest misschien?

Ge kunt niet denken in een ander zijn plaats.

De wereld zinkt in mijn schoenen.

Dees doos is alle wa da’ k heb.

Ik zen ni ongelukkig.

Nee,ik zen soms wa verloren.

Dees leven is ni ça va.

’t Zijn leugenaars die dat zo noemen.

‘k heb mijn vrouw,

mijn grote liefde tot in ’t diepste van mijn tenen

verloren

omda’k kwaad was in dees leven.

Kon daar niks aan doen.

‘k zen zo geboren.

Dees doos is alles wa da’k heb.

Mijn moeder hee mij dat voorbeeld gegeven;

Spuwt op ’t leven dan staade altijd sterk!

Ze liep ook soms verloren.

Z’e gelogen over dees leven

Om ’t overleven ee ze nooit van haar hart gegeven.

Dees doos is alles wa da’k heb.

‘K eb twee flinke dochters.

De schoonhed zelve.

Ik zien ze hier soms voorbij paraderen.

Ze doeng of ze mij ni kennen

Dees doos is dan ook alles wa da’k nog heb.

En as ‘k goesting heb om te spuwen.

Dees leven te lijf te gaan.

Dan gaan ik in hoekske van de statie staan.

Daar waar de treinen hunne mist uitspuwen en ik roep de liefde van mijn leven heure naam.

Toen ik gisteren thuis kwam stond er op de hoek van de straat een speciaal interventie team van de politie. Van die boomhoge gasten met bivakmutsen en al, klaar om ergens binnen te vallen. In de buurt waar ik  woon woonde vroeger ook Karel Deschutter, de huurmoordenaar van Karel Van Noppen.  En toch vraag ik me dan af, terwijl ik die gasten daar zo zie staan, hoe het leven van die of geene nu verder gaat. Ze pakken hem of haar op en dan…dan is het gedaan, denk ik dan. Of zou het echt zo zijn dat die mensen die ze oppakken het hen niks kan schelen? Of komen ze echt snel weer vrij? Nu ja, wat het ook mag zijn, ik zou het verschrikkelijk vinden…Ik zou vooral het contact met mijn zoon missen en het niet meer mogen gaan en staan waar je wil. Zou het echt zo zijn dat je de eerste weken alleen maar wil huilen en dat dan niet mag omdat je opgesloten zit tussen allemaal stoere mannen met straffe verhalen? Ik vraag het me af en wil het me verder blijven afvragen zonder het te moeten ondervinden. En toch, Ooit ben ik ‘ns in de cel beland omdat ik te veel had gedronken en de politie van Antwerpen over – ijverig waren/ zijn in het zich bezig houden met futiliteiten. ’t Is waar hé, plas tegen een boom en ze pakken je op maar pleeg een moord en ze doen alsof ze heel veel moeite moeten doen om je te vinden terwijl… iedereen weet dat als je een moord pleegt je je daarna zo onopvallend mogelijk tussen de massa moet bewegen omdat je anders opvalt en je mag niet opvallen. Iemand die een moord pleegt zal niet daarna tegen een boom staan pissen! Dus de politie moet zich niet concentreren op die zingende zot op z’n fiets maar meer op die grijze mus. Da’s een tip, hé!

Toen ik zo in die cel zat dacht ik, “nooit meer. Dit flikken ze me nooit meer.” Het machtsgevoel van die onbenullig- blauwe- dik- buiken omdat jij daar zit is met geen pen te beschrijven. Daarna verdrinken ze je in hun mallemolen van regels en wetten en die ze interpreteren zoals ze het begrepen hebben in les 1 van “ik wordT polis”. Afin, één troost is dat als je een moord pleegt of je doet iets anders wat echt niet door de beugel kan je moet zien dat je boven aan de ladder staat. Echt een wreed dik betaalde job, waar je nog meer krijgt als je ontslagen wordt. Da’s de kunst, dan laten ze je met rust. Dat zien we elke dag in ons kleine landje…

Een oudere man spreekt me aan.

“Het is uw plicht! Het is uw godverdomste culturele dienstplicht om verder te doen wat u doet!”. Hij zei me dit nadat ik hem vertelde dat ik elke week de ziel uit mijn lijf sta te spelen op verschillende locaties in dit land en dit om kinderen en geschiedenis en al en al dichter bij elkaar te brengen en dat de schoolvoorstellingen overvol zitten en heel gesmaakt worden maar dat de vrije voorstellingen niet verkocht raken omdat de plaatselijke verantwoordelijken geen publiciteit maken. Ik zag even het nut niet in om nog verder te gaan, ik prevelde het hoog uit, en toen riep deze man dus deze woorden. “Culturele dienstplicht!”. Ja, ik geloof het en heb weer een nieuwe tekst geschreven voor een nieuwe locatie. Deze keer in Blankenberge waar de schoolvoorstellingen overvol zitten en de zee vlakbij!

 

… Niemand vraagt haar anders te dansen dan ze danst.

Niemand zegt haar hoe ze zich moet kleden.

Niemand zegt iets over het schuim op haar mond.

Niemand vindt het erg dat ze langzaam de aarde op eet.

De zee is zoals ze is en dat vindt iedereen goed.

De zee is de perfecte vrouw…

De politicus zat in zijn zetel. Het was nacht. Hij keek in het donker. Ruikend naar het parfum van zijn minnares en alcohol van één of ander feestje. Want dat vond hij wel fijn aan zijn job; de feestjes, recepties voor van alles en nog wat. Zijn vrouw stak het licht aan.

“Ik heb je op televisie gezien.”, fluisterde ze omdat ze de politicus niet graag stoorde als hij in het donker staarde. Ja, dat deed hij wel meer; in het donker staren. Ook overdag. En toch bleef hij volhouden dat er geen probleem was. Iedereen geloofde het, ook al had iedereen daar zo zijn gedacht over, behalve de vrouw van de politicus. Ze had hem zien groeien van student tot politicus en nu staarde hij in het donker. Hij wist niet wat hij het volk nog kon wijsmaken en het volk begon ook te beseffen dat de rol van de politicus één grote schijnvertoning is die ons land veel geld kost. Sommige mensen in het volk stelden voor om een manager aan te stellen maar toen werd de politicus heel bleek en snauwde naar het volk, “als je me eens zou laten uitpraten dan zou je begrijpen waarover het gaat!”. Het volk woelde in hun tuintjes en keek hoe de politicus keizer zonder kleren bleef spelen en niets zei tegen hen.

De vrouw van de politicus legde een oranje boekje voor hem neer, “spaarboekje ASLK” stond er in zwarte letters op gedrukt. “Hier, da’s van jou. ’t Is niks meer waard, dat weet ik ook wel. Ik heb naar je geluisterd op de televisie. Ik ben altijd de enige geweest die naar je luisterde en je begreep.”. De politicus nam het boekje, deed het open en zag dat het saldo op + nul stond.

“Dat is het!”, riep hij, “plus nul. Dat is wat we nodig hebben!”. Hij riep zijn chauffeur  en scheurde in een rotvaart naar zijn minnares. De straten lagen er verlaten bij. Zijn minnares deed de deur van hun liefdesnest met uitzicht op het koninklijk paleis niet open. De politicus wilde terug in zijn auto stappen maar zijn chauffeur reed weg. “Ach, een beetje buitenlucht zal me geen kwaad doen.”, dacht de politicus en liep te voet naar zijn kantoor in een verlaten hoofdstad. De straten waren bezaaid met buitenslapers maar de politicus liep trots door en hield vast aan zijn spaarboekje. “Plus nul.”, prevelde hij. Aan zijn kantoor hield de militaire politie hem tegen. “ Politicus, in naam van het volk arresteren wij u en verbannen u levenslang naar de kerkers van onze democratie! ”, riep een flink uit de kluiten gewassen kakidrager. Deze jongens waren geoefend en sloegen de politicus in de boeien. “Maar…”, riep de politicus, “ik had nog een goed plan. Plus nul! Alles moet plus nul zijn en ik zal voor zorgen.”, schuimbekte hij terwijl ze hem in de kerker duwde. Die ochtend miste niemand de politicus want zoals steeds werd het land bestuurd door andere mensen, vrienden van de koning, met namen als Lippens en Davignon. De koning melde dat hij het land ging besturen, “zoals ik altijd al doe.”, voegde hij er smalend aan toe. Iedereen die van ver of dichtbij iets met de politicus te maken had werd verbannen uit het land. Natuurlijk kende niemand hem. En het volk? Het volk vond het best want ze hadden na al die jaren gezien wat ze moesten zien namelijk, dat de politicus een marionet is zonder hersens die gestuurd wordt door de ware poppenspelers en voor die jongens was het volk angstig. Echt bang.