Sommige mensen organiseren feestjes om de mensen te ontmoeten die ze al kennen. En heel soms ontmoeten ze dan op zulke feestjes iemand die ze niet kennen of toch niet direct en meestal word dat hun partner en dan schrikken ze later dat iedereen iedereen kent. Toeval!

 

Vandaag hoorde ik twee vrouwen op straat. Zei de eene tegen de andere; “ja, dat spreekt boekdelen.” . “Ja,”, zei de andere, “dat hangt er vanaf  wat voor boeken het dan zijn.”. Ze keken elkaar aan en begrepen elkaar ook al dacht ik dat ze dat niet deden.

 

Vandaag vertelde een man hoe trots hij was omdat hij drie zendmasten op zijn dak had staan. “Eén van Base, één van mobistar en één proximus.” Een grote stalen mast rees vanuit zijn dak naar de hemel. “Maar zelf heb ik hier altijd slechte ontvangst.”, zei hij lachend, “ te veel keuze is ook niet goed.” Daarna hadden we het over structuur en hoe dat ons maakt tot wie we zijn. Op het einde van het gesprek ging zijn mobiele telefoon. Hij nam op deed een korte babbel en keek naar de zendmast. Toen de verbinding weg viel zag ik de ontgoocheling uit zijn broek druipen. Iets waar hij op gehoopt had was er niet meer. Hij ging op een stoel zitten gooide zijn telefoon weg en begon wild in zijn haren te wrijven. “Ik ben zo alleen!”, riep hij en het leek of alle structuur uit zijn leven weg glipte.

 

Een mens hoort niet te vliegen! Niet zoals vliegen, muggen en andere vliesvleugelige insecten. Als ik zou kunnen zou ik willen zijn als een vogel die zich afzet en zweeft over het meer en bovenuit kijkt naar de vissen in het water, de spelende kinderen, de vechtende volwassenen en de oorlogvoerende allebei. Af en toe een kogel ontwijkend zoevend door de lucht. Heerlijk moet dat gevoel zijn. Als ik kon vliegen maar ik ben een mens en dat hoort niet te vliegen…Een mens is plomp en zwaar en als hij zich afduwt gaat hij nooit ver genoeg de lucht in. Nooit ver genoeg. Altijd te dicht. Bij diegene die ons tegenhoudt om te vliegen. Het mag niet zijn dat een mens kan vliegen in wat voor manier dan ook.

 

Hij nam me vast in dit

Kleine schrille leven

En liet zijn ziel

In de mijne overvloeien.

 

Hij nam me vast en gaf me liefde

Op de rand van het exploderen

Van zijn hart.

 

Op zijn manier.

 

Hij nam me vast en riep

Over de kleuren

Van zijn wereld in mijn oor.

Miljoenen kleuren.

 

Fluisterend over de kleur van zijn ziel.

 

Hij nam me vast en zei

Dat ik er maar

Het beste van

Moest maken.

 

Ook al lig je in de verkeerde cel.

 

Hij nam me vast en sprak

Zonder energie

Het woord

Bloem

Uit, alsof ik een baby was.

 

Hij nam me vast en toen,

Toen

Was alles zwart.

 

Mijn tranen deden het

Gewoon.

Ze vloeiden over mijn wangen tot in zijn ziel.

Verdampten in de kleuren van de regenboog.

 

Niemand meer.

Daar lag hij in rechte houding.

Steeds proberend er het beste van te maken.

Mijn vader.

Schoonheid in duizend stukjes.

Pulverized beauty, noemde ik hem.

En we lachten.

Pulverized beauty.

 

Ik val voor een bankje en

Daar zit ze,vredig en stil.

Waardig als de zon kijkt ze rond met een weinig blauw boven haar ogen.

Een sirene, ze kijkt en zwijgt.

Vele liefdes zijn aan haar voorbij gegaan.

Heeft ze laten gaan.

Nee, zij sluit geen compromissen.

Er was dan ook geen sprake van kinderen, alleen in gedachten en beloften van ridders op het witte paard.

Nu is ook haar tijd gekomen en niemand die voor haar valt behalve ik.

Blaadjes groeien uit zijn hoofd.

Zijn armen en benen zijn de takken van zijn houten lichaam.

Zijn stam is zijn stem,hoger dan de wolken.

Binnenin ruist zijn hart,kloppend onder de grond.

De vogels leven in zijn schaduw.

Eekhoorns springen van tak tot tak.

Ze blijven er op springen tot er een tak brak.

Mieren en ander klein grut teisteren zijn lichaam.
hier en daar een gezwel houdt hij er van over.

Tijd dat de bomendokter komt.

Hij leeft lang als boom, langer dan ik.

Hij overleeft stomen en hitte en elke dag ruikt hij als eerst dewereld als ze wakker wordt.

“Raak me aan,

zachtjes aan” fluistert hij.

“Heb me lief, heb me lief, Mijn hout is van goud en

 de wereld heeft verdriet bij elk goud dat je vergiet.”

Eten en drinken haalt hij uit de aarde.

“Mijn vader is een boom!”, zou ik roepen.

Maar mijn vader is geen boom,

Mijn vader is gewoon.

Zoals jij en ik,

Een mens,

En als hij er één was had ik hem nooit gekend.

En de nacht doet pling plong

En je valt in een diepe slaap.

Pling – plong.

Het is je hart dat je leven over neemt.

Pling plong.

Je moet er niks voor doen.

Pling – plong.

Je hart.

Pling – plong.

Dat alles probeert om de goede dingen te onhouden en de slechte uit je hoofd weert.

Pling – plong.

En de sterren.

Pling plong.

De sterren doen pling – plong en verlichten de wereld.

Pling plong.

En zo is de nacht niet die donkere nacht waar je van denkt dat je hem niet zal kunnen overleven.

Pling – plong.

Nee, de nacht is lief en doet je zweven.

Pling  – plong.

De nacht is zacht als een veertje.

Pling – plong.

Lieve nacht, ik laat me vallen.

Pling – plong.

Ik laat me vallen in je armen.

Pling – plong.

Je zal er elke dag zijn dat weet ik zeker.

Pling – plong.

Lieve nacht, ik wil met je trouwen.

Pling – plong.

Ik weet dat jij er altijd zal zijn.

Pling plong.

Lieve trouwe nacht.

Vandaag was ik te gast in de dageraad, een school voor buitengewoon onderwijs. De meisjes en jongens van het observatiejaar hadden gewerkt rond het thema:”vriend en vijand”.

Wat er uit hun pennen was gevloeid was verbluffend. Sommige mensen beweren dat deze mensen in deze maatschappij “verloren” zijn. Diezelfde mensen beweren dat we ons moeten specialiseren en diezelfde mensen beweren dus, vanuit een bureel ergens in dit verdeelde land, dat de kans dat deze mensen in een het normale werkverkeer terecht komen zeer klein is. Wel, ik heb goed nieuws;  als deze bevolking bestaat uit 99% grijze massa die een poging doen om zich te specialiseren dan is de groep die overblijft en die door diezelfde “psychologische neuzelspecialisten” wordt bestempeld als restmassa die geen doorgroeimogelijkheden kent.

Dan zijn die mensen, of toch een deel van hen, het werkelijk creatieve brein van deze wereld. Want zij functioneren, heel misschien, niet op commando. Zij zullen verloren lopen in grote structuren. Maar wat ik vandaag zag was creativiteit en durf die in deze maatschappij voor het overgrote deel van de tijd ver zoek is. Elk van die mensen hebben hun redenen –zoals jij en ik- om te zijn zoals ze zijn. Maar deze mensen zijn verdomde uniek en zouden in plaats van aan de kant geschoven te worden en behandeld als debielen verder gestimuleerd moeten worden in hun creativiteit. Zoniet laten we heel wat talent lopen en komen deze mensen hun talenten verkeerd terecht.En ooit op een dag ontdekje dat en dan kan je twee dingen doen; dat talent aanpakken en er autodidactisch alleen mee verder, zo is er een heel naoorlogse generatie, of… ontploffen. Alles heeft uiteindelijk te maken met wie je nog tegenkomt in je leven, wat en waar. Maar als we de cirkel voor hen niet doorbreken op jonge leeftijd dan lopen ze heel grote kans om in het patroon terecht te komen waar de grijze massa en de inspectie vind dat ze zich moeten bevinden. Ik gil nog driewerf hoera voor de mensen van de Dageraad. Wreed chapeau en zo blijven voort doen!

 

De wereld zinkt in mijn schoenen.

Dees doos is alles wa da’ k heb.

Ik zen ni ongelukkig.

Nee,ik zen soms wa verloren.

Dees leven is ni ça va.

’t Zijn leugenaars die dat zo noemen.

‘k heb mijn vrouw,

mijn grote liefde tot in ’t diepste van mijn tenen

verloren

omda’k kwaad was in dees leven.

Kon daar niks aan doen.

‘k zen zo geboren.

Dees doos is alles wa da’k heb.

Mijn moeder hee mij dat voorbeeld gegeven;

Spuwt op ’t leven dan staade altijd sterk!

Ze liep ook soms verloren.

Z’e gelogen over dees leven

Om ’t overleven ee ze nooit van haar hart gegeven.

Dees doos is alles wa da’k heb.

‘K eb twee flinke dochters.

De schoonhed zelve.

Ik zien ze hier soms voorbij paraderen.

Ze doeng of ze mij ni kennen

Dees doos is dan ook alles wa da’k nog heb.

En as ‘k goesting heb om te spuwen.

Dees leven te lijf te gaan.

Dan gaan ik in hoekske van de statie staan.

Daar waar de treinen hunne mist uitspuwen en ik roep de liefde van mijn leven heure naam.

 

stefan perceval.

Mensen praten over; players, levellen, chikas en hoe ze dat van elkaar weten en hoe “niet erg” dat dat is als je voor een avond door een player wordt meegenomen en dat je dan moet levellen zodat je weet dat het maar voor één avond is en dan nooit meer. En dan vertellen ze dat dat allemaal geen pijn doet omdat ze dat dan weten en als je dat weet dan doet het geen pijn…En ik word stil. Omdat ik dat niet geloof. Ik geloof dat er veel eenzaamheid is in deze wereld en dat iedereen er iets aan wil doen om die eenzaamheid te verjagen en soms wat genegendheid te hebben maar ik kan niet geloven dat dat achteraf geen pijn doet.Zelfs geen klein beetje? Ik kan dat niet geloven. Je moet je op z’n minst toch een beetje leeg voelen…Of zélfs nog eenzamer. En wat ik nog erger vind is dat de mensen die dat doen ook nog eens tot een zeer lelijke – van fysiek heel lelijk- menselijke soort behoren. Dus mijn theorie is de volgende dat al die mensen die zichzelf laten bestempelen als”players” eigenlijk te lelijk zijn om een relatie aan te gaan en dat ze dan niet verder komen dan one-night stands omdat diegene waar ze het dan mee doen ’s ochtends haar of zijn ogen opentrekt en beseft, nee heel goed weet, dat ze met dit specimen niet verder wil. En dus zijn die benamingen niet meer dan schuilnamen voor eenzaamheid en lelijkheid. Leve de liefde!