Je hebt van alles in deze wereld. Maar uiteindelijk komt het er op neer dat alles en iedereen zijn universum wil creëren en daarin zijn of haar liefde en waarheid wil vinden. De zoektocht daar naartoe begint voor de één al op vroege leeftijd voor de ander loopt het leven zoals het loopt tot ze er plots over beginnen na te denken. Op dit ogenblik ben ik voor het Paleis een voorstelling aan het voorbereiden,Mijn Hart. . Het is in het kader van Open Monumenten en daarom bezoek ik met deze voorstelling verschillende locaties in verschillende provincies. In Antwerpen maak ik het in het huis van Jozef Weyns, bezieler van Bokrijk. In Limburg in Huis Hoste in Hasselt, in Eeklo in het psychiatrische centrum, in Lovenjoel – Bierbeek in een centrum waar ze jonge kinderen met problemen of problemen thuis begeleiden en/ of opvangen en in Blankenberge in Villa d’Hondt. En hoe je het ook draait of keert op elke plek zijn mensen/kinderen op zoek naar hun plaats in deze samenleving en hoe je je daarin het best in voelt. Sommigen noemt men bezeten omdat ze zo in het creëren van hun leefwereld door gaan dat er geen plaats meer is voor een buitenwereld. En zo kom je jezelf tegen als je zulk een project aan het voorbeiden bent en vraag je je waar je zelf staat; in mijn eigen wereld met m’n eigen liefdes en waarheden….

 

Stompend en pompend draait de wind de nationale hyme in onze oren. Ja, en jij en ik hielden elkaars handen vast en voelden hoe de parades ons voorhielden dat de stap die we zetten de juiste is. Nationaal feest van de liefde! En het land scheurde zich open en slimme duisters zeiden tegen de vlamingen en walen hoe dat je het best op een klein opvlak samen leeft. En iedereen dacht dat het goed was want zag dat het allemaal slechts toneel was,  We hielden ons zelf een spiegel voor, herkende het en gingen slapen zoals we het altijd doen. Liefste nieuwe België, mooie blonde godin uit het hoge noorden, ik hou van je.

Ik kijk  in haar ogen. Een laatste traan zinkt achter haar zachte wimpers weg.  Ze heeft de boot gemist. De boot met de honden die kunnen zingen. Wat ze zingen? Hoe het voelt om een hond te zijn.

 

Sommigen van hen kunnen passioneel zingen over hun leven en hun lot. Prachtige gezangen. Mijn favoriet gaat zo:

 

“Kwispelend met mijn staart in de kou bonst mijn hart en zegt hoeveel ik van je hou.

Kwispelend met mijn staart, lik ik mijn baard en wil je uitnodigen op een gigantische portie taart.

Kwispelend met mijn staart verzinkt dit gezang als ik naast jou zit bij de open haard.”

 

Ik vind het een prachtig nummer. Maar het kleine, huilende, blozende, snif snuffende meisje heeft er geen oren naar. Ze loopt onrustig door de stad. Ze kijkt binnen in vreemde huizen. Sommige van die huizen hebben geen gordijnen en nodigen uit om binnen te kijken, ook al kijken de bewoners dan steeds wel wat verrast, toch mogen we naar binnen  kijken. Anderen hebben juist heel dikke, gele, met rook gevulde  gordijnen en daarvoor nog een bordje dat je zeker niet mag binnen kijken!  Maar ook daar kijkt het meisje naar binnen. Op zoek naar de boot met de zingende honden. Op die boot zitten haar ouders en vrienden en kennissen en verre vrienden en verre kennissen van verre vrienden. Ze zitten allemaal op die boot en ze mist hen.

 


Dat is een gevoel dat ik niet ken, omdat ik nooit afscheid neem. Afscheid nemen = missen.

Zij wel en het is massief jammer  dat ze geen afscheid heeft kunnen nemen.

Massief jammer! 

 

Ja, dat begrijp ik wel maar ken ik niet. Samen zoeken we en zoeken we. Soms staan we lang stil aan een huis omdat we iets menen te herkennen dat op hondengezang lijkt. Een ietsje maar. Want  als we goed luisteren is het een mens die staat te zingen tegen zijn holle badkamerwand. En dan moet ook zij toegeven dat hondengezang dikwijls veel mooier is. Hier en daar zien we mensen in dikke drommen staan wachten op een trein of een tram die hen voor hun televisies laat neerploffen. “Eerst eten maken en dan ploffen.” We snijden die dikke drommen doormidden en zoeken naar de boot met de zingende honden en alles wat haar met de wereld verbindt.

 

Uitgeput zakken we aan de rand van de stad in mijn bananendoos. Ik zet het deksel open en samen kijken we naar de zonsondergang. Ik en het kleine, huilende, blozende ,snif snuffende meisje. Dat is wel romantisch. In de modder, de lucht en het water zien we de lijnen die ons verbinden. En net op het moment dat ik haar over haar blozende wang wil strelen kriebelt de rups in mijn handpalm. Ik open mijn hand en zie een pracht  van een vlinder.  Hij is groot. Hij is zo groot! Hij is gigantisch.! Hij is te groot voor de bananendoos!!

 

Buiten, bij valavond, opent hij zijn vleugels. Twee enorme prachtige vleugels sieren zijn gespierde lichaam. Wat een kleurenpracht! Dat heeft nog niemand gezien. Zelfs mensen die soms verschijningen van de Heilige Geest zien zouden stomverbaasd staan van de pracht van deze vlinder en mijn bananendoos heilig laten verklaren.  Alle kleuren van de wereld zijn in die vleugels verweven. Ik krijg er…ja, ik moet het toegeven, tranen van in mijn ogen.

 

Eerst denk ik dat het regen is maar het zijn echte tranen. Ik berg ze op in mijn zakdoek en daar zullen ze blijven zitten. Twee dikke tranen. De vlinder wiens naam jij ook kent tilt mij en het kleine, huilende, blozende, snif snuffende meisje op z’n rug en samen vliegen we over de duizend oceanen, de drieduizend verschillende klimaten, om nog maar te zwijgen van de ontelbare geuren die we doorkruisen, recht naar de boot van de zingende honden.

 

We landen en er barst een gigantisch feest los. Er staan  frietkramen aan boord  en met bonnetjes die gratis zijn mag je zoveel friet eten als je zelf wil. En ook curryworsten! Vierentwintig uur op vierentwintig. En er word gedanst en de zingende honden zingen prachtige liederen. Ze zingen zelfs mijn favoriete nummer een keer of honderd. Ja, het is een  fijne tijd. Net als ik en de vlinder willen  vertrekken komt  het kleine, niet meer huilende, blozende en ook niet meer snif snuffende meisje afscheid van ons nemen. En dat voelt vreemd. Tijdens onze terugtocht heb  ik vlinders in mijn buik en ik snuif en geniet van alle geuren en kleuren en klimaten en beelden die ons pad kruisen.

 

De vlinder wiens naam jij ook kent keert zich om en vliegt weg om nooit meer terug te komen. Daar zit ik dan op de rand van mijn bananendoos en kijk naar de stad als zijn mensen vanuit de etalage van een chinees restaurant. Voor de eerste keer voel ik me een beetje eenzaam. Maar dat gaat gauw over. Bij het sluiten van mijn ogen zie ik alles weer. Opnieuw. En dat is heerlijk. Een symfonie voor de geest.

 

Ik lag op de houten vloer en keek hoe een rups langzaam voorbij trok. In en uit. En in en uit. Die rups was nog lang niet op haar bestemming. Misschien moest ik haar helpen? Misschien moest ik de rups in mijn hand nemen en daar zetten waar rupsen zich thuis voelen? Maar waar voelen rupsen zich thuis? Ik ging in een boek kijken en las dat ruspen zich overal thuis voelen. Dat het voor een rups helemaal niet uitmaakt of ze onder een tapijt ligt, op een houten vloer, een drukke straat of een natte steeg, een weids grasveld of een donker moeras. Nee, rupsen voelen zich overal thuis, stond er in dat boek. En zo voel ik me ook. Overal thuis. Ik nam de rups in mijn hand en liet ze zich thuis voelen. Ik zong en vertelde voor de rups. Maanden, weken, dagen, uren, minuten, seconden gaf ik de rups het gevoel dat ze thuis was in mijn hand en dat was ook zo.  Ik gaf haar een naam. Maar die ga ik niet vertellen want namen zijn bij mensen of dieren die zich  overal thuis voelen een moeilijke zaak, omdat ze afhankelijk van de plek waar ze zich thuis voelen een andere naam dragen. Als je wil,  fluister ik de naam in je oor.

 

Heel zachtjes, zoals het wiegen van het riet of het stromen van de zee naar verre landen. Kom maar. Luister maar naar de naam die ik in je oor fluister. Luister heel goed en onthoud hem dan je leven lang.

 

Dat heb je goed gedaan. Dat weet ik wel zeker.

 

Mag ik mezelf voorstellen?

 

Ik ben ik. En mijn naam is niet belangrijk. Verzin maar wat je zelf denkt dat een goede naam is voor iemand als ik.  Ik ben overal en nergens thuis. Ik heb geen ouders, geen broers of zussen, geen vrienden of vriendinnen, geen kennissen of verre kennissen of vrienden van kennissen van verre kennissen. Nee, ik heb niks van dat. En toch ben ik nooit alleen. Soms slaap ik in een bananendoos aan de rand van de stad. Daar waar de palen krom staan en de wind harder waait dan op de hoogste toren.  Zelfs als ik daar ben en alleen in mijn bananendoos zit ben ik nooit alleen.

 

Bananen komen van verre landen. Verre landen die we  bereiken met schepen, woelend door het water, die vreemde namen dragen of vliegtuigen die hoge hoogtes kussen. Zo trekken we lijnen tussen verre landen en de plek waar we zijn.  Onmeetbare verschillen glippen door onze handen en worden doodnormaal. Om voor altijd verbonden te zijn met elkaar en alles wat ertussen ligt.

 

Ik heb zin om de lucht te kussen! Ik zuig me helemaal vol, sluit mijn ogen tot er een fel licht achter mijn pupillen glinstert en laat me gaan. Daar hang ik boven de stad en zie mensen huilen, lachen, wassen, plassen, afscheid nemen, liefhebben, haten, kussen, afstoten, vechten, sussen, “c’est la vie”, zeggen en “vlug, vlug, vlug” en heel hard werken of “potversnot” roepen als ze weg willen en het niet durven te zeggen. Wel, daar heb ik geen last van want ik hang boven de stad als een sneeuwvlokje dat zich laat meevoeren met de wind en als de wind beslist om me neer te zetten dan glijd ik naar beneden. Recht in de roos. Op de wangen van een klein, huilend, blozend snif snufffend meisje.

 

Stel dat morgen de zon schijnt.

Stel dat mijn vader of misschien wel ik koning wordt van dit land.

Stel dat geluk iets is wat je in grammen kan kopen.

Stel dat je niks meer moet.

Stel dat je alles op voorhand kan bepalen.

Stel dat iedereen elkaar wel respecteert in zijn of haar geluk.

Stel dat er geen onnodige gesprekken zouden zijn.

Stel dat je ook mag falen.

Stel dat je nog enkele seconden te leven hebt.

Stel dat blijft vaag.

Er zijn zo van die dingen waar ik kromme tenen krijg of waar mijn tenen toch meer van kommen dan van andere dingen zoals, belastingen, napoleontische wetten en regels die nu nog het terrorisme in deze wereld moeten tegen gaan of is dat het zelfde als belastingen?

En ook politieagenten – dit misschien omdat mijn ouders nog buren zijn geweest met de Marimans van de legendarische punkgroep The Kids, u weet wel…- alsook de Belgische regering met zieke en minder zieke jongetjes. Wanneer gaat die Yves Leterme nu eens gewoon toegeven dat hij het niet kon omdat hij een nieuw lief heeft en dat vraagt veel tijd enzovoort enzo verder…dat zou hem veel sympathieker maken. Nu wil hij maar de beste leerling van de klas blijven en hij kan het niet. Hij was goed in een kleine groep maar in een grote groep verzuipt hij, hij heeft geen overzicht meer. Afin, er zullen er wel weer andere komen die het sneller en beter zullen doen of dezelfde…En daar wil ik het over hebben want \”Bros\”komt terug, ne comeback! “Bros” , ge weet wel die janetten die op het einde van de jaren tachtig al die grieten loops maakte met hun hoge stemmetjes. Bij mij in de klas zat zelfs een meisje – Wendy was haar naam – en die deed op een dag niet mee aan het examen omdat “Bros” kwam signeren in een platenzaak in Antwerpen. Wendy was gezakt maar ze had wel die janetten gezien en het strafste van al is dat ze niet zag dat het janetten waren. Ze komen dus terug net zoals alles altijd maar weer terug komt.

 

Zo las ik vandaag ook de aankoniging van een nieuwe theatercollectief en ik citeer:

“Collectief X gooit de conventionele theaterwerkelijkheid overboord. Deze werkelijkheid is een gekunstelde afspraak tussen publiek en acteurs. Collectief X wil zich elke avond bezighouden met de werkelijkheid zoals hij is; wij zijn allemaal mensen in één ruimte. Daarom is er contact met het publiek. Er zitten mensen, dat ontkennen zou het ontkennen van de werkelijkheid betekenen. Zo kan er sprake zijn van een tweezijdige beïnvloeding. Elke avond zal anders zijn, omdat er elke avond een ander samenspel tussen acteurs en publiek is. Om deze tweezijdige beïnvloeding tot stand te brengen moet je eerlijk zijn: Collectief X bestaat uit acteurs, niet uit personages.”

 

Wil er eens iemand, 1. aan die gasten zeggen dat dat wat ze schrijven theater maken/ spelen/zoeken  is en dat je daar niet over moet doen alsof het nieuw is en dat je daar zeker niet over moet doen alsof je een waarheid verkondigt want als je een theaterwerkelijkheid overboord gooit ga je daarna niet in een zaal zitten want dat is een theater en al helemaal als je schrijft dat je acteurs bent. Dat noem ik een contradictie!! En 2. dat ik het pas fijn zou vinden mocht ik niet om de zoveel tijd hetzelfde liedje horen en dat het nu pas echt tijd wordt om iets nieuws te doen, écht grenzen te verleggen en geloof me het zal niet daar zijn…

 

Diana Krall. Het lief van Elvis Costello, zijn vrouw. Gisteren heb ik haar in levende lijve gezien in de Bijloke in Gent op Gent Jazz festival . En ja, het klopt, deze vrouw heeft het en ze straalt. Ze is perfect gelukkig, zo zei ze zelf ,en toch zingt ze trieste liedjes met een overtuiging en hartepijn. Ik ben nu zelf ook stilaan in een periode gekomen dat ik heel gelukkig ben en toch schrijf ik nog steeds sombere teksten. Alsof je soms terug kijkt naar wat geweest is en dat je blij bent dat er niet meer is en op die manier schrijf je het van je af. Wat hierna, vraag ik me dan af? Paniek! En daar kan je dan ook over schrijven.

 

 

Soms zie ik mezelf in een botervlootje.
Het is misschien een vervormd beeld?

Ik sluit mijn ogen en ga door.

Dan zie ik mezelf in het glas van de kast of in de reflectie van het glas dat naast me staat

of in de bolheid van een lepel maar nooit

zal ik me zien zoals jij me ziet.