Als kind dacht ik dat werken weg gaan was tot het donker, thuis komen, je tanden uit doen – “want tegen dat je zo oud bent als ik heb je ook valse tanden!”, zei mijn moeder – en overgeven. De dag moest er uit. Mijn moeder poetste bij Joodse en Indische mensen aan het stadspark in Antwerpen voor twintig Belgische frank per uur. Bij sommige kreeg ze een bord soep en andere scheten op de grond nadat ze hem net had gepoetst. Dat vertelde ze dan. En hoe ze soms opslag kreeg. .De rust in haar werkbestaan vond ze toen ze als suppoost mocht beginnen in het Museum voor Schone kunsten in Antwerpen.  Tussen de werken van Van Mieghem en Rubens kon ze niet geloven dat dit werk was en begon ze weer te schrijven, gedichten over de jaren die ze verloren had door mijn vader te ontmoeten.

Ehsan zit naast me samen met zijn begeleider van het OCMW van Geel aan een tafeltje. Zestien maanden heeft hij bij HETGEVOLG gewerkt; producties gemaakt, mensen begeleid in hun zoektocht. Zijn traject in mijn huis zit er nu op. Zestien maanden geleden kwam hij via de VDAB mijn huis binnen voor een stage van enkele dagen en hij is gebleven. Hij was gevlucht uit Iran met zijn vrouw en kinderen. Hij en zijn gezin maken nu deel uit van ons huis.  Nu moet ik hem lossen. “Dit is het verhaal van een witte raaf.”, zegt zijn begeleider,”Dit ga ik nooit meer mee maken.”. Ehsan heeft plannen. Hij gaat op zijn eigen benen verder. Met HETGEVOLG gaan we hem steunen om zijn plannen te realiseren.

Een jongen van zestien wil liever niets zeggen als ik hem achter zijn tijdslijn vraag. “Mijn leven is niet zo fraai.”, stamelt hij. In zijn fantasie echter is hij familie van een koning die hem nooit meer wil zien en daarom sluipt hij langs de achterdeur binnen om naar zijn familie te kijken. En het is waar, zijn familie wil hem niet meer zien. Daarna danst hij zoals hij nog nooit heeft gedanst terwijl hij luidt roept : “ik mis mijn familie!”. Zijn wereld is het best in het theater. Begeleiders zeggen dat ze hem nog nooit zo gezien hebben.

Van stilstand naar beweging. Theater in al zijn onvatbaarheid geeft mensen terug de energie om in zichzelf te geloven. Om werk, inspiratie en adem te vinden.

“Een artiest heeft een andere mentale ingesteldheid.”.

Voor me zit een man die al zijn hele leven lang op een zelfde plek werkt.

“Een artiest weet dat hij altijd projectmatig wordt aangetrokken en dat hij daarna weer opzoek moet naar een ander project. C’est la vie d’artiste!”.

Hij gaat verder dat hij het niet zou kunnen, dat hij nood heeft aan zekerheid en stabiliteit. Af en toe laat hij vallen dat hij gelukkig rijk gehuwd is en dat hij er naar uit kijkt om op zijn 67ste op pensioen te gaan.

“Niet meer zolang en dan gaan we genieten.”. Hij draait zich met zijn zweetkont in de zetel voor me. “Die vrijheid maakt jullie creativiteit los! Toch?”.

Zelden zag ik zoveel zweterige onzin in een zetel zitten.  Mocht ik opzoek zijn naar een schotelvod, ik nam hem onmiddellijk in dienst.

De twee meisjes waarmee ik nu drie maanden werk worden volgende week naar een gesloten centrum gebracht om van daaruit terug gestuurd te worden naar hun land.Hun vader had hen mee naar hier gebracht in de hoop een beter leven te mogen opbouwen.De jongste van de twee slaapt al een hele tijd niet meer. Ze wil hier blijven en echt aan dit leven bouwen maar het mag niet zijn. De procedure is verlopen. Ze moeten terug. We gooien wederom heel veel talent over onze landsgrenzen.

“Dat talent zullen ze niet kwijt spelen, Stefan.”. De zweetzak draait en tolt.“Het is waar,”,zeg ik “hun talent zal niet verloren gaan. Maar er is niemand in hun buurt om hun talent te ontwikkelen of te stimuleren.”.

Zijn laatste zweetdruppel uitpersend suggereert de man of ik mijn werkwijze niet in een boekje kan gieten zodat ze “ginderachter ook verder kunnen.”.Kunst als een bouwpakket. Kunst als een educatieve koffer met leuke tips en sprookjes die je kan naspelen in je eigen leefruimte.

Zoals je kan mijmeren of deze of ginder kunst wel zou passen in je woonkamer.“Schat, Hoe zou die Rubens in de open keuken staan?”. En misschien vind je het dan aantrekkelijk omdat je weet dat de man of vrouw die dat gemaakt heeft af en toe ferm moet overleven.

De twee meisje neuriën nog een liedje voor ze de trap af gaan. Iets wat we samen gemaakt hebben. Een beweging als een herinnering aan wat we gedeeld hebben. Het jongste meisje draait zich nog een laatste keer om. Ik weet dat ik haar nooit weer zal zien. Ik weet dat zij zal moeten overleven. En, godverdomme, ik kan er niets aan doen.

Ik geloof niet. Er zijn wel veel mensen in mijn omgeving die geloven.

Een monnik zei me ooit, “het mooie aan mijn job is dat ik niets moet doen om mensen te laten geloven mijn omgeving doet het als van zelf.” Alles rond die monnik was inderdaad zo ingesteld dat mensen als van zelf begonnen te geloven.

A woont al tien jaar in deze stad. Hij woont hier illegaal. Hij bergt zichzelf overdag op in een piepklein kamertje.  A komt alleen buiten als het avond is. Hij is bang voor de politie. Bang dat ze hem vragen gaan stellen. Al tien jaar lang, al 3650 dagen lang leeft hij in angst. Zijn Nederlands is zenuwachtig  en hij droomt er van om naar school te gaan.  A komt naar mijn theater en we praten met handen en zelfuitgevonden woorden. Soms is hij dagenlang verdwenen en dan staat hij er weer telkens ik me omdraai. Op een dag kwam hij binnen. Hij wist dat ze hem vandaag gingen oppakken en het land uitzetten. Hij wist het. Hij had het een oude vrouw op de markt horen vertellen. We gingen samen naar de markt, opzoek naar de oude vrouw maar ze was er niet. Zijn leven is angst. Angst voor het hier. Angst voor het terug moeten. Angst om niet de kans te krijgen hier een leven op te bouwen.

In mijn werk pel ik steeds verder af en kijk  waarom een mens doet wat hij doet. Ik luister wat de mensen die voor me staan laat bewegen en spreken en creëer van daaruit een nieuwe gemeenschappelijke wereld die we uiteindelijk delen met een publiek. Een wereld waarin A zijn angst kan overwinnen en geloven. Een wereld waar hij met zichzelf kan zijn.

Hoe moet de grootvader van mijn grootvader zich gevoeld hebben toen hij als Franse Bakker in Belgisch Limburg terecht kwam? Vol goeie moed bakte hij baguettes maar niemand moest zijn baguettes hebben. Wie eet er nu een lang smal brood? Niemand uit die tijd kon toen voorspellen dat baguettes ooit nog echt bij de Belgische bakkers zouden verkocht worden.  Hij bergde zijn baguettes op en ging bij een boer werken. Zo viel hij het minst op. Hij verdween in een  aangepaste gemeenschappelijkheid met een geloof dat ook niet het zijne was maar dat er was.

Vraagt onze maatschappij vandaag nog steeds dat we verdwijnen in een kunstmatige gemeenschappelijkheid met gekke slogans over opkrassen en eigen volk?

In een kleine microcosmos is HETGEVOLG een plek waar mensen zichzelf mogen zijn. Een plek waar we opzoek gaan naar het waardevolle verhaal dat we meedragen in onze nerven. Een plek waar we dat verhaal delen, verder ontwikkelen en inzetten om andere ook een stem te geven. Waar niemand zichzelf moet opbergen.

Ik sta in een rivier en kijk naar mijn voeten die op een steen rusten. Mijn voeten lijken nu wel heel erg op die van mijn vader. Als kind vond ik mijn vaders voeten oud en onhandig en toen hij op sterven lag zag ik ze net zo. Mijn vader had zachte voeten. In de laatste dagen van zijn leven voelde ik er dikwijls aan. Hij kon niet meer praten en bewoog enkel zijn voeten in een nare droom die hem naar de dood bracht. En terwijl ik op die steen in die rivier  sta lijkt het alsof mijn vader me omarmt. Kort, zoals hij dat graag deed terwijl hij een wijsheid in mijn oor fluisterde. “Mensen zijn zoals stenen, alleen het wassende water of het botsen met andere stenen kan hen veranderen.”.

Mijn vader staat op het midden van een kruispunt. Hij weet dat hij niet lang meer te leven heeft. Wij weten dat niet. Hij is moe en wil naar zijn hotel.  We weten dat hij zich niet goed voelt. Een vrouw ziet hem koortsig op het midden van de weg staan en stapt rustig op hem af.  “Mevrouw ik wil naar mijn hotel want ik ben moe en ik wil vanavond naar de voorstelling van mijn zoon. Hij heeft een voorstelling gemaakt in een grote kerk hier en ik wil me nog wassen en even rusten voor ik naar daar ga. Hoe geraak ik bij mijn hotel?”. In een mantra herhaalt hij deze zin tegen de vrouw. Ze vraagt hem rustig in welk hotel hij slaapt en wijst hem de weg. Mijn vader dankt de vrouw, ze zegt: “Wat u deed was heel gevaarlijk meneer. U had dood kunnen zijn.”. Ze wijst naar de strepen van haar politionele rang op haar revers. Mijn vader vindt zijn hotel en even later ontmoet ik hem zoals ik hem ken helemaal ingelezen in de materie en zijn eigen visie ontwikkeld over de de kern van het verhaal. Ik laat hem kennis maken met de productieploeg, de acteurs en het leven voor er publiek de zaal in komt.

“Mensen zijn zoals stenen, alleen het wassende water of het botsen met andere stenen kan hen veranderen.”.

Mijn oudste zoon duikt weg in het water terwijl de jongste opgewonden in uit het water rent en het water langzaam boven zijn navel laat komen. Mijn oudste zoon is twaalf en wil aan zijn mama zeggen dat hij liever op één plek blijft wonen. Hij houdt heel veel van zijn mama en vindt het moeilijk om het haar te vertellen.  Hij worstelt er mee op avonden dat de sterren snel naar beneden vallen. Als een koorddanser probeer ik zijn vraag te beantwoorden maar het liefst zou ik samen met hem naar beneden donderen en luid uitroepen; “Ja natuurlijk, blijf bij ons!”. Dat gaat niet. Dat mag niet. Een tijdje terug moest ik samen met de mama van mijn zoon naar een kinderpsycholoog en we hebben goed gelachen. “Jullie kunnen het goed met elkaar vinden.”, zei de psycholoog en we keken even terug naar een tijd waar we heel veel lachten.

“Mensen zijn zoals stenen, alleen het wassende water of het botsen met andere stenen kan hen veranderen.”.

Mijn zoon houdt van raadsels. “Papa, wat zou je het liefst hebben? Dat ze jou betrappen terwijl je een geit neukt of dat je de doodstraf krijgt omdat mensen denken dat je een geit hebt geneukt maar jij weet zeker dat je dat niet gedaan hebt?”. Maar vader zei; “het gedacht is alles en je moet je eigen pad wandelen en je niet laten sturen door wat mensen over jou denken. Dat maakt een mens kapot. De mensen komen je niet helpen als jij je doel niet bereikt. Ze komen je feliciteren en zijn er graag bij eenmaal je er bent maar de weg daarnaar toe moet je heel alleen afleggen. De pot op met het menselijk opzicht!”. En zo kon hij soms uren doorgaan. Zelf was hij in de jaren na de oorlog van school weg gegaan omdat de priester leraar hem uitlachte omdat hij was wie hij was. Later mijn vader. Zijn hele leven vechtend tegen het failliete vooroordeel

De voorstelling waar mijn vader naar keek in de kerk vertelde het verhaal van een vrouw die een zwart kindje kreeg en daarvoor werd veroordeeld door een hele gemeenschap. Mijn vader vond deze voorstelling een meesterwerk. Mijn vader gaf nooit complimenten.

“Mensen zijn zoals stenen, alleen het wassende water of het botsen met andere stenen kan hen veranderen.”.

Toen ik twee jaar geleden plots directeur werd van een theaterhuis in Turnhout met 270000 Euro schulden kreeg ik het advies het rustig aan te doen. Twintig producties en zes nieuwe werkingen later is het huis weer financieel gezond. Ik luisterde naar de stenen die er waren, raapte hen op om zeker te zijn dat ik onder de steen niks gemist had en verlegde hen. Het huis mag blijven bestaan. Op die momenten mis ik mijn vader die hoewel hij geen complimenten gaf toch even in mijn arm kneep of van ver knipoogde.

“Mensen zijn zoals stenen, alleen het wassende water of het botsen met andere stenen kan hen veranderen.”.  De avond voor hij zijn fatale hersenbloeding kreeg waren mijn vrouw, ik en onze kinderen bij hem op bezoek. Hij had veel pijn maar had de dokters opgedragen niets tegen zijn familie te vertellen. Mijn vader was rot. De kanker had hem helemaal opgevreten. Hij hield onze handen heel lang vast en bleef de naam van mijn vrouw oneindig herhalen.

De dag nadien was er geen contact meer. De steen die mijn vader was viel uit elkaar.

De erosie en de talloze botsingen hadden hem gemaakt tot wie hij was en dat hield hij liever voor zichzelf.

 

 

 

 

 

 

Liefste Barbara,

In het niet weten

kende we

elkaar.

In het niet durven

springen sprongen we

verder dan onze schaduw.

In het zoeken naar woorden kwamen we

de stilte tegen.

In de ouders zagen we

het kind.

In de praktijk ontdekte we dat er

geen theorie is.

In het onvatbare erkende we

elkaars meesterschap.

In het elkaar

niet begrijpen

verstonden we elkaar.

In de breekbaarheid

zochten we

de sterkte.

En zo waren

we

bij elkaar.

Nog steeds.

 

 

Stefan Perceval.

(tekst geschreven voor het boek “Brieven aan Barbara”, bij het afscheid van Barbara Wyckmans van HETPALEIS.)

Een zee zonder vissen klotste tegen mijn slaapkamervenster. Mijn vrouw en de kleinste die in het midden van de nacht z’n kouwe tengels tussen ons in duwt slapen ongestoord verder. Ik sta op en zie hoe een nieuwe dag water slikt en hoopt om niet te  verzuipen, vandaag niet.

De dag duwt zijn eerste lichtstralen door het grijs dat de hemel heeft ingepakt en de deurbel gaat. In de gutsende regen staat mijn moeder onder een grote gouden jas. Mijn moeder is 83 en krijgt kleren van onze rijke tante Yvonne. Tante Yvonne is lang, mager en trots op het leven dat ze heeft omdat ze het kan afkopen. Mijn moeder is 83, haar leven beu en heeft sinds haar geboorte het zelfvertrouwen van een dooie garnaal. Iets waar ze mij en mijn broers mee heeft besmet maar waar we na een dagdagelijks gevecht heel af en toe vanaf geraken. Daar staat ze, zwemmend in een gouden jas die niet de hare is.

Ze komt binnen – we schrijven 07 uur in de ochtend. “Ik kom de papieren voor mijn euthanasie in orde brengen want dat moet ik om de vijf jaar verversen!”.

Mijn moeder wil niet lijden. Ze gaat zelden of nooit naar een dokter en als ze al gaat weet ze het toch beter dan de brave ziel die zijn eed van Pytgoras heeft gezworen.

Daar staat ze met schoenen vol water en een briefje dat vraagt om waardig te sterven als het niet meer gaat om geen zin meer in het leven te hebben. We vullen de papieren in waar ze me vraagt om getuige te zijn zonder het einde van haar leven onnodig te reken. Ze sopt weer naar buiten. Naar de regen onder een jas van goud die niet de hare is. 83 –  jarig stuk wrakhout heeft alle hoop opgegeven dat ooit nog iemand haar zal ontdekken en haar erkennen in wie ze is. Het zou ook een onmogelijk taak zijn mijn moeder terug recht te trekken. ’s Avonds werk ik met Eugenia aan haar verhaal. Ze is zeventien en komt Ghana. De eerste jaren werd ze uitgemaakt en bespot voor wie ze is. Vanavond laat ze zien hoe ze daar mee omging en wat haar redding was; Humor.

Ik herken het zo goed. Humor is een boei in de zee waarvan de golven soms oneindig hoog zijn. Nadat ze twee keer heeft gespeeld en iedereen er van overtuigd is dat zij moet doorgaan met acteren en ik blij ben dat dit veldwerk kan in mijn huis in Turnhout gooi ik me op een stoel en vul een dossier in. En ik wil verder gaan dan het vragen van extra mensen om te doen wat ik doe maar het dossier is daar niet op gebouwd. Het dossier spreekt van tijdelijke aanwervingen. Ik wil schreeuwen dat dat niet kan. Je kan niet iemand tijdelijk aanwerven om kwetsbare mensen te volgen. Dat is niet iets tijdelijk. Dat blijf je je hele leven doen. Dat geeft mij als artiest zuurstof. En HETGEVOLG, mijn huis in Turnhout, ook de broodnodige draagkracht die het nodig heeft. Het engagement stopt nooit. Ik vind de woorden niet en trek mijn jas aan en loop door de regen.

Stilaan wordt het weer rustig in mijn hoofd. Mijn moeder belt me en zegt dat ze nog zes foto – copies nodig heeft en of ze die morgenvroeg bij me thuis kan komen maken.

“Ja, iedereen heeft een kopie nodig van mijn laatste wens, want de dood zelf kunde niet kopiëren.”. En ze lacht.

Er loopt een druppel over de glijbaan. De druppel glijdt niet naar beneden maar stokt halverwege. Mijn jongste zoon gaat er achteraan en stopt met zijn nieuwsgierige energie vlak voor de druppel. De druppel ligt transparant stil naar ons te staren.

Vandaag stuurde een man de uitnodiging voor zijn verjaardagsfeest waarbij hij vraagt dat zijn gasten een bijdrage storten voor HETGEVOLG, mijn theaterhuis in Turnhout. Ik ken de man niet. Hij is een passant die ons huis een warm hart toe draagt. Hij geeft een teken dat hij wil mee bouwen aan dit huis. De druppel overwint de zwaartekracht en rolt enkele centimeters verder. Mijn zoon zijn adem stuwt de druppel op zijn ademtocht verder. Op twee jaar tijd is er veel verandert in mijn huis in Turnhout. Toen ik twee jaar geleden aan boord kwam suggereerde de toenmalige raad van bestuur om voorzichtig de boeken te sluiten na het dempen van de schuldenput van meer dan 240000 €. In twee jaar hebben we  twintig nieuwe producties gemaakt, vier blijvende participatieve werkingen opgezet en speelde we meer dan 510 voorstellingen. En het huis leeft nu op de turbulente ademtocht van zijn omgeving. Luc & Mieke en de honderden mensen die hier wekelijks passeren en deelnemen aan onze werking geven HETGEVOLG de vleugels van geloof waardoor dit huis voorzichtig weer kan vliegen. Ik zelf leef dag en nacht voor HETGEVOLG en moet dagelijks dit huis verdedigen maar krijg ook dagelijks een zee aan warmte die me verder doet stromen.

Mijn oudste zoon staat onderaan de glijbaan en vangt de jongste op. De druppel verdwijnt in hun broedercontact. Ze zijn twee in een, altijd samen.

Hij is twaalf en worstelt met de leeftijd, het gedrag dat zijn vrienden vertonen en de druk van een eindproef van het zesde leerjaar. De tijd dat geen jaar nog een referentie heeft naar een ander jaar komt er nu aan. De ruimte in je hoofd staat nooit stil.

De telefoon gaat en een vrouw legt me uit dat ze met kinderen in armoede een project wil opzetten maar dat ze geen voltijdse betrekking heeft en dat ze dit met een deeltijds equivalent moet doen en dat dat niet eenvoudig is en of ik haar kan helpen want ze heeft al heel veel overuren. Mijn oudste zoon laat zijn hoofd hangen en samen met zijn jongste broertje draait hij zijn weg in de tuin. De vrouw blijft maar door rammen over voltijds en deeltijds en equivalenten en andere personen hun equivalenten. Ik probeer haar duidelijk te maken dat het met engagement te maken heeft.Het komt niet binnen.Ze kan het niet vatten. Ik denk hoe langer ze probeert er een structuur van te maken hoe minder ze met de kern van haar project bezig is.

Mijn zonen staan met een emmer vol druppels voor me en gooien hem over me uit. Ik geniet en vlieg, samen met hen op hun zachte adem.

Ik loop door een asielcentrum. Nooit was de wereld dichtbij zo anders. Gezinnen zitten op een bankje en kijken de dag toe met een reis in hun ogen. Containers staan verlaten te bakken in de zon. Hier en daar een groepje dat zicht stoer houdt. Minderjarige vluchtelingen tellen de uren van de dag en zoeken naar een structuur in een taal die niet van hen is. Een jongetje van een jaar of zes huppelt achter een bal op een betonnen vlakte. “Voor kinderen is het hier naar ’t schijnt goed.”. Naast me staat een vrouw die met hen leeft, ze peilt de verstomming in mijn hoofd. “In ’t begin wil je hen allemaal redden tot dat je ontdekt dat je huis, je hoofd, je handen en je hart spijtig genoeg te klein zijn.”.

De wereld draait zich om in kleine kamers waar vele samen leven zonder privacy.

En ja, ik hoor u denken dat het hun eigen keuze is om naar hier te komen.

Maar wat als je vanaf dat je geboren wordt je moeder niet kent, je onderdrukt wordt, je geen moedertaal hebt? En wie zijn wij dan dat we roepen om onze grenzen te sluiten? Als dat een waarheid zou zijn was er nooit een Perceval in dit land geweest. Want ook wij zijn vluchtelingen. Hoe dikwijls heeft mijn vader me niet verteld hoe hij als kleine jongen met zijn ouders vluchtte voor de Duitsers en onder welke verschrikkelijke omstandigheden ze in Frankrijk bij een boer overleefden en werkten. En hoe ze uiteindelijk een geplunderd leven terug bij elkaar hebben geschraapt. Hoe hem dat tot op de laatste dag van zijn leven getekend heeft. Hoe hij wilde dat zijn zonen het beter hadden dan hij het zelf gehad heeft. En dat is wat ik zie bij de vaders en moeders uit verre voor mij onbekende landen die me in mijn werk dagdagelijks omringen, de wil om er iets beters van te maken voor hun kinderen getekend door het leven dat ze hebben gehad als een puzzel die nooit passen zal.

In mijn wereld praten mensen die nooit praten.

In mijn wereld ontmoet ik mensen die praten maar zichzelf niet horen.

In mijn wereld is het heel normaal dat ze praten en zichzelf horen.

Er is geen plaats voor zelfbeklag in mijn wereld.

In mijn wereld zet je jezelf als doel in.

Kom niet aan mijn kind in mijn wereld.

In mijn wereld vecht ik daar voor.

Voor me staat een meisje uit Ghana . Ze is zes jaar in België en ze wordt gepest op school omdat in haar wereld blank en zwart oneindig ver van elkaar liggen.

Samen kijken we naar de humor in haar wereld en hoe ze daar sterker kan uitkomen.

Het leven is te kort om zich klein te voelen in haar wereld.

Een acteur staat voor me. Hij heeft een wereld in zijn wereld gecreëerd waar hij acteur kan zijn. Samen zoeken we naar de mens in zijn wereld.

Hij fluistert dat het moeilijk is maar heerlijk in zijn wereld.

In die wereld.

In zijn wereld.

In haar wereld.

In mijn wereld.