Wolven zijn van nature geen vijand van de mens zijn, en als dat soms zo lijkt, komt dat doordat wij een ach­tenswaardige wolf verhinderen om vrijelijk te genieten van wat de wereld hem te bieden heeft!

Om dit aan u duidelijk te maken nodig ik u volgende week donderdag, 24 november 2011, uit tijdens de Dynamodag in Genk waar ik samen met de studenten van Buso DE WISSEL uit Genk een kort voorproefje geef van twee halve dagen werken. En aanstaande woensdag, 23 november 2011, trap ik samen met mijn schoonzus, An Nelissen, een nieuwe editie van INSPIRING SPEECH af waar ik tijdens deze driedaagse een kleine workshop geef. Voor beide momenten is er nog plaats dus u bent van harte welkom.

Vandaag zei m’n vader me: “Als ik zo lees hoe je mensen begeleid dan denk ik dat jij weet hoe je het moet overbrengen omdat je het zelf niet makkelijk hebt gehad om je leerstof te begrijpen en zo  je eigen methodiek ontwikkelde om het te begrijpen.” En zo zijn er nog vele zoals,

Kobe Desramaults is geboren en getogen in Dranouter. Hij groeide op in een oude hoeve, die door zijn moeder met bescheiden middelen werd verbouwd en ingericht tot taverne/brasserie/hotel. In diezelfde hoeve is nu, na een onwaarschijnlijke metamorfose, hotel-restaurant In De Wulf gevestigd.

Kobe kon je bezwaarlijk een voorbeeldige student noemen – hij had nu eenmaal een heel brede interessesfeer en weigerde zich in een hokje te laten wurmen. Op zijn zeventiende greep moeder Heidi Foulon in en regelde een eerste tewerkstelling (op basis van een leercontract) in de keuken van restaurant Picasso in het nabijgelegen Westouter. Wat hij daar zou leren zou ongetwijfeld nog van pas komen in haar brasserie. Moeders hebben altijd gelijk – al wist ze toen zelf nog niet hoe groot haar gelijk toen was.

Na dat leercontract kon hij aan de slag in sterrestaurant Oud Sluis van Sergio Herman. Daar is de liefde voor het vak gegroeid. Daar sloeg de vonk over, en de passie is sindsdien niet meer weggegaan. Voor Kobe waren de eerste drie maanden daar in Nederland de zwaarste van zijn leven. Maar hij zette door. Het is die volharding – uiteraard samen met de steun van zijn grote leermeester, Sergio Herman – die de basis heeft gelegd voor zijn vernieuwende en gedurfde keuken van vandaag.

Twee jaar lang werkte hij in Oud Sluis. In het wereldje van de gastronomie is het echter een ongeschreven regel dat je na 2 jaar andere horizonten opzoekt. Kobe koos voor het zonnige zuiden en Sergio had connecties in Barcelona. Hij wist voor zijn poulain een plaats te versieren in Commerç 24, bij Carles Abbelan. Kobe heeft er 10 maand ervaring op het hoogste niveau opgedaan. Hij wou langer blijven, maar moeder Heidi had hem nodig in de keuken in Dranouter…

Kobe Desramaults koos voor zijn roots. Hij keerde terug om het restaurant weer in goede banen te leiden. Maar de brasseriekeuken was niet aan hem besteed. Hij wou zijn eigen ding doen. Dus kwam er een nieuwe kaart, met enerzijds de traditionele Vlaamse gerechten en anderzijds het vernieuwende menu van Kobe. Het was een moeilijke periode. Oude klanten haakten af omdat ze zich niet meer konden vinden in de nieuwe filosofie. De nieuwe klanten die culinaire vernieuwing kunnen appreciëren hadden hun weg nog niet gevonden naar Dranouter.

Alles veranderde in 2004, toen Pieter van Doveren – gestuurd door alweer Sergio Herman van Oud Sluis – een lovend artikel schreef in Weekend Knack. Eind 2004 kreeg Kobe van Knack bovendien de Gouden Garde voor het Jong Talent. In De Wulf werd in een mum van tijd een lustoord voor fijnproevers. Al snel was er geen plaats meer voor de brasseriekeuken. De kaart werd noodgedwongen herleid tot één vast menu, om de kwaliteit te kunnen bieden die Kobe zichzelf had opgelegd. Extra personeel werd aangenomen, de gastenkamers werden verbouwd.

Eind 2005 kwam de bekroning voor het harde werk van het hele team. ‘In de Wulf’ kreeg zijn eerste Michelin-ster, waarmee Kobe Desramaults één van de jongste Belgische sterrenchefs ooit werd.

Toen ik bijna acht jaar geleden op de intensieve zorgen van de kraamafdeling van het universitaire ziekenhuis Antwerpen op de vroeggeboorte van mijn zoon aan het wachten was werd ik ook geconfronteerd met kleine wezens die het leven niet haalde. Op die momenten zie je dat het leven genadeloos om zich heen grijpt en dat we  in een maatschappij leven waar je je doodgeboren kinderen sneller moet aan geven dan je levende. In de roze wereld van het pasgeboren geluk is er geen plaats voor een rouwproces. De familie Segers heeft vijf jaar geleden hun zoontje Swa verloren en houden sindsdien een prachtige site bij waar ze hun ervaringen, foto’s, leven, reizen, gedachten ter ere van hun zoontje bijhouden. Zo verschuift het beeld van het dode kind naar een ander niveau.

Het Westen. Dat is de wind. Het Westen waait. Ik heb een sprekend paard ontmoet in het Westen. Een sprekend paard. Niemand die mij geloofd wanneer ik het vertel. Het liep daar, in de heuvels. Manen in de wind. Met veel plezier, dat was wel duidelijk. Het paard genoot van de kadans. Het zag mij en het kwam. Van galop naar draf, tot stilstand vlakbij mij. ‘Klim op mijn rug’, zei hij. Ik dacht toen ook dat ik niet genoeg geslapen had. Een sprekend paard. Dat is niet iets van alle dagen. ‘Klim op mijn rug.’ Ik zei, ‘Waar ga je heen?’ ‘Hoezo?’, zei het paard, ‘Waarom wil je dat weten? Weet jij dan waar je heen wil?’ Dat was de eerste keer dat ik daarover nadacht. Waar wou ik eigenlijk heen? Het Westen, maar daar was ik al. Het Westen is heel groot. Als je midden in het Westen staat, kan je je nog afvragen: waarheen? En daarna dagen, weken, maanden lopen. ‘Daar moet je niet mee bezig zijn’, zei het paard. ‘Je moet alleen maar in beweging blijven! Als je te stil wordt ga je dood. Dat komt er toch van. Uiteindelijk komt dat er toch van. Dat is waar je naartoe loopt. Hoe dan ook! Je moet je op het lopen concentreren. Genieten van het lopen, want dat is een waar plezier.’ Hij krulde zijn bovenlip  en lachte zijn grote gele tanden bloot. ‘Klim op mijn rug’, zei hij, ‘Het is prettig met zijn tweetjes. Ik heb er zin in.’ En dus klom ik op zijn rug. Zo draafden we over het land. Dagenlang. Als we honger hadden, aten we. Als we dorst hadden, dronken we. Het paard kende alle mogelijke loopjes en hij leerde ze me allemaal. Draf, steiger, galop, stekende draf, sukkeldraf, halve pas, trot, drieslag, looppas, kringloop, wijk, gestrekte en gebroken galop… We dansten over de wereld. Tot we op een dag, bij valavond, bij de grens met het Noorden waren gekomen. ‘Ik moet naar het Noorden’, zei ik. Het paard knikte. ‘Moet je doen’, zei hij. ‘Ik blijf hier, in het Westen. Lekker lopen in de wind.’ We namen afscheid. Hij drukte zijn dikke lippen tegen mijn aangezicht en gaf me een klapzoen. ‘En denk erom…’, zei hij ‘…niet te stil worden. Dat is voor later. Je weet nu hoe het loopt, je hebt maar te volgen!’ Ik draaide me om en liep het Noorden binnen.

Er zo  van die dagen dat het mistige weer in je lijf kruipt maar gelukkig krijg je dan net een brief die je helemaal verwarmt. Ik mocht hem van de schrijver publiceren en wie weet ontmoeten wij elkaar ooit wel eens!

“Stefan,

Even tijd maken voor een digitale brief.

Meedoen aan de zomeracademie is één van de betere beslissingen geweest die ik de afgelopen maanden gemaakt heb. Ik weet nog dat ik met een bang hartje die helling afging, in de regen, met op de achtergrond doffe, rollende valieswielekes en de gekende stemmen van mijn koters. Tranen die ter hoogte van mijn neus zaten en mij wilden overtuigen om toch maar terug naar huis te gaan en de strijk te doen. Mijn man die mijn hand vasthoudt, en zegt ‘ge moet dit doen, ge gaat er rijker uitkomen’. Hij had gelijk. Ik ging een week in afzondering; weg van thuis, kinderen, weg van bemoederen en zorgen. Ik zou een week voor mezelf zorgen, waken over lichaam en geest.

En zie, als ik eraan terugdenk, komen er schone herinneringen bovendrijven. Herinneringen die mij voeden, die mij zuurstof geven, die mij recht doen blijven staan, die mij doen voortgaan, die mij doen volhouden.

Voor de eerste keer in mijn hele theateropleiding (en dat zijn inmiddels al jaren die op twee handen niet meer te tellen zijn), stond hij daar: heel subtiel aanwijzingen te geven, bij te sturen, aan te moedigen, te creëren… met geduld, respect, en vooral goesting. In al die jaren die op mijn twee handen niet meer te tellen zijn, kan ik vertellen dat ik wel op één hand kan tellen bij welke docenten ik mij op mijn gemak voelde en mij zonder zorgen kon geven.

Gij kijkt inderdaad àchter dat muurtje, door heel eenvoudige vragen te stellen en te wachten tot er iets komt… en uit te dagen, maar dit laatste doe je heel subtiel, onopvallend, triggerend.

Merci om mijn zelfvertrouwen van de kelder naar de 1ste verdieping te liften in een gebouw met 3 verdiepingen. De zolder is hier niet de limit; als ik tussen 2 en 3 mag blijven hangen, ben ik heel blij.

Om met het thema van de Erfgoeddag 2012 te eindigen: ik heb er een nieuwe held bij!”

Herfstkleuren dansen voor mijn ogen terwijl ik tussen Antwerpen, Luik en Gent pendel. Mijn auto geeft aan dat hij een onderhoud nodig heeft en ik heb zin om weg te dromen maar word gelukkig de pas afgesneden door een Citroën Berlingo waarvan de chauffeur duidelijk vind dat hij z’n achteruitkijkspiegel moet sieren met twee gigantisch pluchen dobbelstenen. Als ik hem driehonderd meter verder terug inhaal gesticuleerd hij alsof de dobbelstenen in z’n hol zijn verdwenen, om zich enkele kilometers verder wederom voor me te smijten en z’n remmen dicht te gooien. Een alerte trucker wijkt uit waardoor ik ook kan uitwijken anders had ik bovenop dit rijdend schietkraam gezeten en tegen deze snelheid zou ik niet weten of ik dit nog had kunnen schrijven. Wat bezielt iemand toch om op deze overvolle wegen, waar je al bumper tegen bumper kleeft het leven van andere in gevaar te brengen? Even was ik zo kwaad dat ik de achtervolging inzette, hem voorbij stak en hem met spastische gebaren duidelijk maakte dat ik hem met plezier alle kanten van de volgende parking liet zien. Maar toen ik zag wat voor een dwaze figuur, echt ridicuul , er achter het stuur zat begon ik in de eenzaamheid van mijn auto luidop te lachen en ben niet gestopt met lachen tot ik thuis was. Hij reed verder,  ik zag hem zich overal tussen wurmen, de remmen dichtgooien en hoopte dat ook de andere chauffeurs smakelijk met hem konden lachen. In Antwerpen aangekomen stond hij voor me aan het rode licht, spelend met zijn dobbelstenen.

Ik krijg telefoon van een jong acteur. “Ik bel u omdat ik opzoek ben naar werk.”. Aangezien ik filosofisch ongeschoold ben doorprik ik zijn illusie dat ik hem werk kan verschaffen. Maar ik vertel hem wel van de prachtige projecten die ik begeleid in Hasselt, Leuven, Luik en Leopoldsburg en nodig hem uit om eens te komen kijken. Het wordt stil aan de andere kant van de lijn; “…werken met mensen…nee sorry da’s niks voor mij.”. Ik wens hem veel succes en denk dat elke rede zijn rechten heeft, dat heet vrije wil. Even later loop ik met mijn zoon over het strand en geniet mateloos van de tijd die we samen doorbrengen.  De dijk wordt versierd door een eindeloze reeks bizarre boetieks vol nagemaakte merkkledij. De winkels staan er verlaten bij en als ik er even binnenwandel is het aantal nep Ray-Ban zonnebrillen en sweaters met het opschrift van één of andere buitenlandse universiteit tegen dumpprijzen niet te tellen. Waarom zouden mensen dit kopen? Zou je je beter voelen als je een lage prijs moet betalen voor iets wat niet is wat het is maar er toch de schijn van heeft? Zou het te maken hebben met het opbouwen van een “imago”? Maar wat als dat imago niet echt is? Ben je juist wel of niet een chagrijnige trut als je een merk – zonnebril op je neus hebt?  Het zal wel weer met “het paradoxale van deze samenleving” te maken hebben. Of misschien wel met onze drang om alles en iedereen te “labelen”, in vakjes stoppen, klasseren tot in het oneindige. Het dragen van een merkproduct nep of niet helpt bij het klasseren en mildert misschien het wijdverspreide ziektebeeld. Wat ik dagelijks mee maak is dat echte mensen zijn zoals ze zijn en dat niet laten afhangen van een merknaam aan hun lijf. Terwijl mijn zoon over het strand huppelt vraag ik me af wanneer ze hem zullen “labelen”. Misschien is het al gebeurt? Misschien helpt het wel als ik hem nog snel een sweater van de universiteit van Oxford aansteek?  Dinsdag is er oudercontact op zijn school en ik weet dat ik een prachtige zoon heb.