Terwijl de Belgen er op de olympische spelen nog steeds niks van bakken en er een ober op de televisie meld dat een “surprise menu” een verrassingsmenu is is mijn neef Jeroen Perceval bijna klaar met zijne nieuwe voorstelling; “harald’s feestje”.

Dit verhaal is op 11,12 en 13 september te zien in de “Monty“in Antwerpen.

“WEES VLUG MET HET BESTELLEN VAN KAARTEN AANGEZIEN

ER NU AL RIJEN AAN DE KASSA STAAN DIE LEGENDARISCHE PROPORTIES AANNEMEN

EN U WAARSCHIJNLIJK NIET VEEL KANS MAAKT IN U LEVEN 

OM ZOIETS NOGMAALS TE AANSCHOUWEN

TENZIJ DAN MISSCHIEN WANNEER DE SPORTPALEIS REEKS IN 2010 

WORDT VERLENGD MET 20 VOORSTELLINGEN”

 

 

 

 

Gisteren ben ik voor de voorstelling MIJN HART naar Lovenjoel geweest. In Ave Regina, een tehuis voor kinderen van 03 tot 21 jaar, maak ik een vertelling vanuit het standpunt van het kind. En weet je wat? Hoe erg het ons daar lijkt te zijn. Zo doodnormaal is dat voor die kinderen. Ze kennen niet anders dan zonder ouders of familie de dag door te brengen. Pas op latere leeftijd komt er een besef van wat ze gemist hebben en vallen ze in een(diepe) put. Het gebouw is groots, mastodont waar je in verloren loopt. Het terrein is nog grootser. Hier zie je kleine gekwetste wezentjes waarvan sommige al op vroege leeftijd zijn opgegeven door hun omgeving. Wat de reden ook mag zijn dit blijft wraakroepend. Ik kan me enkel sussen met de gedachten dat deze kinderen omringd worden met veel liefde van het team dat rond hen staat…

 

Mijn vader was een vlinder.

Zijn vleugels waren van paardenbloemen.

Zijn lichaam was van leder, groot en sterk.

“Als je groot bent dan krijg je een olifantenvel!” en hij vloog weg.

Daar hing ik, in mijn eerste kleine huisje.

Ik zag de wereld  door mijn aderen.

Kleine buisjes die me eten gaven.

En meer en meer.

Ik werd te dik.

Plofte open.

Mijn eigen dikke lijf kroop als een groen glibberig ding over de weg.

De lucht wreef met haar kouwe handen aan mijn neus.

“Ik heb kouw!”

Ik vroeg me af waar dat olifantenvel was want lang zou ik het hier zo niet volhouden.

“Doe niet zo flauw!”.

Daar, in die fruitboom waar jij nu zit zat een kleine Spaanse bosmus.

“Wie ben jij?”, vroeg ik.

“Mijn naam is Amberes!”, tsjilpte de mus en vloog tot in de kruin van de boom.

Daar  flapperde ze met haar vleugels de mooiste flapperdans die je je maar kon voorstellen.

En terwijl ze dat deed rees de zon aan de horizon. Knalgeel licht verlichtte de wereld. De zon was geboren!Oh, wat een heerlijk warm gevoel!

Ik stak mijn hoofdje naar boven en genoot. 

“Kom je mee naar de Vuilbeek?”, krijste Amberes.

“De vuilbeek?”, zei ik voorzichtig want mijn stem was nog maar net geboren.

“Daar is iedereen!”, tsjirpte ze luid, “Kom volg!”.

Ze vloog weg en ik deed mijn uiterste best om haar te volgen maar de rusp die ik was was niet zo snel als een Spaanse vogel.

“Vlieg met me!” en  Amberes vloog met een razende snelheid en een hete adem op me af.

Ze sperde haar bek wijd open en pikte me op.

Ik vloog!

Ik was slechts een rups maar ik vloog!

Onder mij zag ik de fruitbomen, ook die waar jij nu zit.

De Spaanse lucht van Amberes floot langs mijn kale lichaam en zij genoot duidelijk  van mijn aanwezigheid in haar bek.

Pas later begreep ik dat dit voor een vogel niet eenvoudig moet zijn. Een rups in je bek houden en toch niet opeten! Deze grote vorm van vogelliefde kwam ik in de eerste seconden van mijn leven al tegen en zou me de rest van mijn leven tekenen.

Daar waren; DE VUILBEEK!

Een mooier water had ik nog nooit gezien.

Ik had dan ook nog nooit water gezien.

Amberes plofte me zachtjes aan de rand van het water neer en ging met haar vleugels in de koele plas zitten.

“De vuilbeek, señor!”. “Alles aan deze kant is netjes. Alles aan die kant is vuil.”

Ik hief mijn kleine kale rupsenhoofd de lucht in en zag een groot dik varken zich in de modder draaien.

“Ik voel me goed, ik voel me goed!”, herhaalde het rozige wezen terwijl het zijn dikke pens in de modder wentelde.

“Wat heb jij voor?”, schatterde Amberes met haar hoofd in de lucht alsof ze iets onaangenaams rook en dat was ook zo.

“Mijn meisje…”, stotterde het varken, “mijn meisje heeft me afgewezen omdat het water tussen ons te diep is.”

“Het water te diep? Wat wil je daar mee zeggen?”, schetterde Amberes.

“Er zijn te veel verschillen tussen ons.”, knorde het varken zijn neus in de modder draaiend.

“Om te beginnen, vind ze me te dik. Ze vind dat is stink…”

“Dat is zo…”, knarste Amberes tussen haar bek.

“…en dat ik geen manieren heb. Maar zelfs als ik mijn uiterste best doe voldoe ik nog niet aan de hoge eisen die ze stelt.”

“Dan is het geen echte liefde.”, sneerde Amberes naar de stotterende stinkende massa vlees.

“Echte liefde overwint alles!”.

“Overwint, wat is overwint?”.

“Overwint is dat wat je voelt als je niet meer alleen bent. Overwint is de liefde die je hart verwarmt en niet je hoofd dat denkt.Na overwint sta je op de top van een berg en kan je de wereld aan.”

Het varken zuchtte en draaide zich nog een keer in de modder om in de hoop dat deze modderpacking iets aan zijn dikke lijf zou verhelpen.

“Maar ik heb zo’n laag zelfbeeld.”, zei hij. “Ik kan niks , ik kan niet eens fluiten. Ik ben een varken niet meer en niet minder. En een varken is maar een varken.  Ik kan mezelf toch niet veranderen. Ach, ooit zal ik wel eens de liefde van mijn leven vinden. Ooit.”

Het werd heel stil rond de Vuilbeek.

aars!
aars!

We gingen in première op het Hollandfestival met deze productie. Het waren fysiek zware repetities geweest. Iedereen die naar repetities en try – outs kwam kijken was ondersteboven geblazen. Op de première lieten de microfoons het afweten. Het kwam niet meer goed. We werden afgekraakt in Vlaanderen en Nederland. Maar …de Duitsers droegen ons op handen. We kropen vliegtuig in, vliegtuig uit. Het waren heerlijke tijden. Daarna nog dikwijls lang op tour geweest met producties maar nooit meer had ik nog zo de sensatie van het ontdekken van een stad, een theater als bij “AARS!”. Waarschijnlijk omdat het nieuw was voor mij en voor onze hele ploeg om daar in verre buitenlanden te zijn. Na ons kwamen er nog vele en ook bij hen – hoorde ik telkens weer- de sensatie van wat ze daar gezien en beleefd hadden. Het was de eerste keer.

 

Op deze link (klik op de “AARS”) kan je een video bekijken die om onverklaarbare reden niet wordt geladen…

AARS!

Moederkesdag in Antwerpen. Ja, hier is het altijd op 15 augustus moederdag. Al sinds 1913. Ben vanmorgen met mijne zoon over de Rubensmarkt gewandeld. We hebben een ijsje gegeten, een wafel met slagroom en gefantaseerd over prinsen en prinsessen.En we zijn er uit gekomen; ze bestaan! In ieder geval, op de Rubensmarkt.

De rest van de dag heb ik alleen doorgebracht. Hier was geen vrouw om te vereren en mijne zoon was naar zijn moeder. Mijn buren vierde in grote getalen hun respectievelijke moeders in hun respectievelijke en heel ordelijke tuinen. Mijn moeder wil niet gevierd worden. Niet vandaag, niet op andere dagen. Ze ziet het nut er niet van in. Ze wil ons niet tot last zijn. Ze heeft zelfs haar begrafenis al helemaal geregeld, betaalt en heel den hutsekluts,  zodat we ons daar ook niet mee moeten bezig houden.

“Da’s alleen maar last.”, zegt ze dan.

En ja, ik laat haar dan met rust want het heeft geen zin om mensen ergens in te forceren…

Bullshit natuurlijk als je ziet hoe fijn het is om tussen familie en vrienden te zijn. Ook dat heb ik zelf pas op latere leeftijd gerealiseerd. Toen ik zag hoe mensen het gezellig konden hebben en hoe ze je daar zelfs op uitnodigen om er aan mee te doen. Ik hoop dat later mijn zoon, misschien nog wel andere kinderen, altijd bij me binnen springen met hun kinderen en vrienden. En daar hoeft het geen moederkesdag voor te zijn.  Gewoon omdat het gezellig is en geen last.

 

De vader en het strand lagen tegen elkaar in de zon.

De vader stond recht,schudde het zand van het strand van z’n rug en liep naar zijn zoon.

Maar die wilde niks van z’n vader weten want het strand en de zoon waren de beste vrienden.

De vader ging op z’n knieën zitten, overschouwde het strand en dacht dit alles voor één man

te veel van het goede was.

De zoon zwom de hoogste golven tegemoet terwijl  het strand nooit onder zijn voeten verdween.

 

 

 

 

Mijn lieve vriend Tom Kets heeft voor “Mijn Hart”, een productie die ik voor het Paleis in Antwerpen maak een prachtig lied geschreven.

Je kan het beluisteren op

http://www.hetpaleis.be/events.php?id=207&parent=53&show=doctype&dt=Audio

Doen!

Verder geeft hij nu zaterdag een optreden met zijn groep in Aartselaar op het San Luce Festival.

Kijken!

Er zit toch iets wreed scheef in deze maatschappij, zulle. Ik ben volop bezig met de voorbereiding van verbouwingen in mijn huis. Gisteren belde ik een aannemer en die man had tijd en deed wat ik vroeg maar toen hij hoorde dat ik Borgerhout woonde bleek dat net een brug te ver. “Neeje meneer, daor kome ‘k ik ni.” . “Ja maar,” , zei ik, “het is over de ring.”. Meestal kalmeert dit argument velen want er is blijkbaar een verschil tussen Borgerhout over de ring en Borgerhout wat er in ligt. Over de ring is het nog ok, in de ring kom je volgens vele in de hel van Tanger terecht. “Borgerhout is Borgerhout, meneer!”, en hij legde de hoorn neer. Ook nu weer schaamde ik mezelf dat ik dit argument überhaupt gebruikt had. Hoe kon ik zo stom zijn me te schamen over waar ik woon? Of dat nu in Oostzwevezele is of in Borgerhout. Toegegeven, Oostzwevezele zal rustiger zijn en er zullen minder migranten wonen en dan? En dan?  Daarstraks vroeg een ober me waar ik woonde –als ouwe televisiecoryfee spreken mensen u dikwijls aan of ge elken avond bij hen op de bank zit-  en toen ik  hem vertelde dat ik in Borgerhout woonde draaide hij zich om en wierp nog even over zijn schouder, “allé, in Borgerokko!”. Ik keek hem minzaam lachend achterna en voelde toch een zekere schaamte over mijn lichaam rollen. Toen vroeg ik me af  of de glimlach op mijn gezicht nu niet totaal ongepast was? Ik woon inderdaad in Borgerhout en daar wonen inderdaad veel migranten maar om nu te zeggen dat het dan slecht is….

 

Vroeger woonde ik met mijn moeder in een sociale woonwijk. Ik schaamde me er over. Zo hard, dat ik nooit aan vrienden zei waar ik woonde. Slechts een handjevol vrienden is in een tijdspanne van tien jaar bij mij thuis geweest. Nu ik groter ben heb ik me voor genomen om dit nooit of te nimmer in wat voor situatie nog te laten gebeuren.Geen schaamte meer. Ik ben wie ik ben met grote en kleine gebreken en al en al…

 

En nu word ik plots weer geconfronteerd met dat belachelijke gevoel en meer nog het zijn anderen die het me opleggen. Net als toen ik een kind was het absoluut not done was te wonen waar ik woonde en een zak van den Aldi mee naar ’t school te nemen omdat je anders niet voldeed aan een bepaald beeld.  Belachelijk, echt waar. Als er me nog één iemand op zulk een neerbuigende toon over Borgerhout aanspreekt dan flik ik ‘em of haar een proces aan het Europees hof voor de rechten van de mens, ofzoiets.

Ik woon in Borgerhout in een huis waar nog veel werk aan is met nen diepe tuin, in een rustige straat en ik zoek nen aannemer die bij mij wil komen werken.

 

 

Wat een belachelijke boom ben jij.

Belachelijk recht. Wie heeft jou ooit verteld zo hoog en recht te groeien?

Jij had geen vader of moeder die tegen jou sprak.

Jij had geen woorden om uit op te kunnen maken wat er van je verwacht wordt.

Hoe wist je dan zo groot te groeien? Heb je dan nooit twijfels gehad?

Nooit gedacht; is zo recht mogelijk omhoog eigenlijk wel de goede weg?

Nooit bij het zien van een struik gedacht; o, ik had mijn takken over de grond naar boven moeten kronkelen, tot een bol van wispelturige takken?

En in de herfst nooit de behoefte gevoelt om de bladeren eens bij je te houden, omdat ze dat jaar wel erg mooi gelukt waren?

De vorm van je stam, je bladeren, geen architect of trend-watcher heeft er aan te pas moeten komen om die vorm te geven. En toch, je staat daar. Met een zekerheid waar ik jaloers op ben. Zeg mij boom, wat moet ik doen? Hoe groei ik ook zo recht mogelijk in mijn eigen stam?