Vandaag reed ik voor een Fortis kantoor, een bank op een lange steenweg. Er kwam een dronken man buiten met in zijn hand een fles rode wijn. Hij goot de wijn over zich uit en riep, “dit is mijn laatste dag!”. Toen zakte hij op z’n knieën begon te huilen. Hij hield een monoloog interieur over aandelen, geld, ambitie en kleine garnalen. Slechts af en toe had hij een erruptie, iets wat er uit moest. Soms was het woord en dan weer iets anders, iets wat op kleine garnalen leek. En eerlijk gezegd, ik geloof hem. Ik geloof dat het niet eenvoudig. Ik vind het als kleine trouwe spaarder al moeilijk laat staan als je als grote spaarder of zelfs als werknemer van dit bedrijf in dit toch al verschrikkelijk economische leven staat. Ik zag hem daar zo zitten en dacht aan de tijd dat ik met mijn eerste twintig frank stuk naar de bank ging en het met trots op mijn lege boekje zette. Hoe ik toen ik twaalf was mijn eerste loon kreeg. Hoe ik dat loon verdient had met in mijn vingers te snijden in een taverne. Hoe ik op een dag een beetje rijker werd en hoe snel het er weer allemaal door is omdat ik keuzes maak in dit leven die over geluk gaan maar ook over minder verdienen. Want ja, het hangt samen. De man stond recht, gooide z’n fles stuk tegen de gevel van het Fortis kantoor en niemand vond het erg. Iedereen zag het zelfde, democratie bestaat niet en als het bestaat zijn er toch weer een paar die geen rekenschap moeten afleggen; koningen, presidenten en hun luitenanten me of zonder lippen ontwaakt uit uw alleenheerschappij en ziet wat gij aanricht!

Als ik zou kunnen vliegen
Me voor altijd in u armen boog.
En de wereld zou me wiegen
Dan wilde ik nooit meer dood.

Ik zou geen potvis willen zijn.
Ik ontrek me van dit aardse leven en neem u mee.
Het boven – wolken zweven voelt fijn.
Ik voel me als een vogel zonder zee.

‘k Zet me af tegen de wolken
‘k Zie het leven van boven uit.
Over blinde muren,
Een zoevend heerlijk geluid.

Geen hart – pijn meer.
Een lijf dat open staat.
Voor al uw gemanoeuvreer.
Van ’s ochtend vroeg tot ’s avonds laat.

Als ik zou kunnen vliegen
Dan was de wereld daar
Ik zou nooit meer hoeven liegen
Of ge wel of niet bestaat.

’t Is voor echt en nooit anders
‘k Beloof u adem te geven
‘k Ontvlam u hart aan de branders
van dit leven.

Maar een mens hoort niet te vliegen.
Een mens is plomp en zwaar.

stefan perceval

’t Is stil in mijn hoofd, heel eventjes.
Deze dagen lopen met mij. Ik ben maar een figurant in de tijd.
Gisteren speelde ik met Vaders in Temse. Iedereen had me gezegd dat dat publiek daar ni reageert en zie, bij het eerste woord was er een reactie. De zaal was mee van ’t begin tot einde, gaf een open doekje en stond op ’t einde recht. Achteraf in de bar, enthousiaste mensen, blije mensen die een gezellige avond hadden gehad. Vaders is voor mij iets nieuws. Een nieuwe vorm van spelen. Niet van maken. De fond blijft altijd het zelfde maar de manier waarop ik er mee naar het publiek kom is nieuw voor me. Ik zoek nog hard maar stilaan krijg ik meer vertrouwen, iets wat me niet op natuurlijke wijze is meegegeven. Niemands schuld het is gewoon zo.

In het begin van de week kreeg ik een journaliste van de Gazet van Antwerpen aan de lijn en ze vroeg me hoe ik tegenover schoolvoorstellingen stond? Ik zei haar dat het geen zin heeft om studenten van 14 jaar en ouder slechts twee à drie keer per schooljaar in contact te laten komen met theater. Zo kweek je geen voeling met dit medium wat traag en stil is en wat dus een enorme inspanning vraagt. Theater zou een vak moeten zijn. Net zoals lichamelijke opvoeding een vak is. Als wij, theatermakers, naar hen zouden gaan en in deze periode van hun leven –waar ze zelf op de wipplank staan naar het volwassendom- en hen voeling voor beeld en taal zouden kunnen meegeven dan zouden we eventueel iets kunnen betekenen. Dan zou theater, misschien, geen verplicht nummertje meer zijn waar je stil moet zijn en waar je achteraf een bespreking over moet houden. Nee, want dan maken we deel uit van hun leefwereld en dat is in deze tijden van “netwerken” en “netlog” en alles wat net is super – belangrijk; je moet tot hun netwerk horen anders kun je het schudden. Pubers groeien super snel op in een tijd die supersnel evolueert. Daar waar een product vroeger vijf jaar nodig had om een groot deel van de bevolking te bereiken, bereikt een nieuw product nu binnen de twee maanden alle lagen van de bevolking. Dus we moeten hen helpen, hen bij staan als we nog een rol willen spelen binnen dit en x jaren. Otherwise blijft theater wat het is; totaal oninteressant voor een groot deel van de bevolking en dus totaal oninteressant voor de politiek en dus… En…het zou al die zagende werkloze acteurs een nuttig bestaan kunnen opleveren. Wat zeg je? Dat kan niet? Wel, vanaf maart begeleid ik intensief een project bij leerlingen van het buitengewoon onderwijs van DE DAGERAAD in Kortessem. Wie deze blog volgt weet er meer van. Deze leerlingen worden door een maatschappij al op vroege leeftijd veroordeeld als “vogels voor de kat” . Met dit project land ik even in hun bestaan en laat hen zien, voelen, proeven van beelden, taal, muziek, alles wat de ziel verwarmt. En laat ik hen zien dat ze zelf ook kunnen creëren dat ze creatiever zijn dan ze zelf denken. Met trots en zelfvertrouwen zullen ze op ’t einde van dit schooljaar hun kunnen laten zien en wie weet is er dan een enkeling die naar theater zal komen of sterker nog…Ik zeg dus niet dat we de schoolvoorstellingen moeten afschaffen, ik zeg alleen dat we onze rol en verantwoordelijkheid als theatermakers moeten opnemen en hen enthousiasmeren voor theater meer dan het eeuwige blitsoffensie in een verplicht nummertje.

Maandagochtend om 09.00 u ga ik het debat aan op radio1, ben curieus.

Daarnaast ben ik ook Bolleke sneeuw aan het maken, deze week zijn we door de berg materiaal geraakt, het laten zien en de reacties waren positief. Er hangt een goeie vibe rond deze productie. Het is een fijne ploeg mensen die allemaal meedenken en zo zichtbaar of onzichtbaar hun steentje bijdragen. Bolleke sneeuw is een productie voor iedereen vanaf 04 jaar. Komt dat zien!

Ik ben met mijn zoon aan de zee. We nemen vakantie. We lopen over de dijk.
Ook hier overal oranje en bruin.
Veel te veel mensen.
En joden in go-carts en op fietsen.
Als er nu nog ‘ns iemand op staat die beweert dat de holocaust nooit heeft plaats gevonden die moet dan maar is over den dijk wandelen terwijl er joden in een go-carts voorbij razen.
Dat is pure holocaust, gast.
Die mannen zien echt naar niks, he.
Die joden denken dat ze op het circuit van zolder aan het racen zijn.
En dan die vader vanachter. Met zijn vlechten in de wind en die kinderen maar trappen.
Allé, die doen dan nog aan sport.
De meeste kinderen van tegenwoordig zitten in zo’n batterijen gestuurd vehicel hunnen hot – dog op te eten terwijl ze tegen uw schenen oprijen.
Ge moet u vooral niet verontschuldigen…
Fat – ass!
En dan al die gasten met hun veel te jonge vrouwen.
Of van die surf gasten met kinderen.
Dat zijn zo van die gezinnen die denken; kinderen of niet het leven gaat voort.
Surfin’ usa!
Een koppel new agers die bang zijn van de zon loopt ons voorbij.
“Weete schat, ik denk dat ik nu toch tijd ga maken voor een kindje.”
Ik heb zin om hen uiteen te rukken.
Nee, niet doen.
Geen kinderen op de wereld zetten!
Ziedet ni!
Hier, ziet rond u.
Het loopt allemaal fout.
Nu zijde nog ne bange bleke man maar straks zijde vader en ik weet dat ge uiteen wilt gaan omdat die van de the cure dat ook hebben gedaan. Maar ge moogt ni vergeten dat die mannen nooit thuis zijn en giij wel. Want gij zijt ne simpele ziel en ge gaat u vervelen met zo’n vrouw en een kind. Gelooft me!
Ze duiken in mekaars zwart en worden te warm voor de zon.
Misschien smelten ze nog op tijd weg.
Dat zou nog eens opluchting zijn!
Overal zijn huilende kinderen en vaders die doen alsof ze het niet horen.
Mijne zoon zegt:
“papa weet ge dat de zee altijd maar groter wordt. Dat er straks niks anders meer is dan zee”.
Dan zou ik wel fijn vinden.
We gaan ne pannekoek eten en dan krijg ik telefoon van mijn vader.
“O stefan, zedde gij aan de zee.”
Ja.
“Ik ook. Waar zedde gij?”
In middelkerke.
“Ja…Ik ook.”
Pa, ik en onze jef zijn ne pannekoek aan het eten.
Komt anders naar hier?
“Hebde ze zelf gebakken?”
Nee pa.
Beetje later sta ik met mijn vader en mijn zoon naar de zee te staren.
In de verte lijkt het alsof we een ijsbeer zien voorbij zwemmen.
“Daar, nen ijsbeer die verloren is gelopen!”
Het blijkt zo nen bot te zijn van pels van die….
“Zo, denkte nu da ge het beter hebt gedaan?”
Ik denk het niet pa.
Ik ben er zeker van.
We lopen nog wat over het strand.
Af en toe wordt de zon verduisterd door ne grote metalen vogel volgeladen met vaders die het normaal vinden dat ze daar in de lucht hangen.
Waarom zouden ze het abnormaal moeten vinden?
Zij verdienen dat, elke dag opnieuw.

Fietsend met mijn kind door de kouwe wind. Kust de zon onze beider gezichten.
Zingt de Lente al een zoete melodie. Ze wil al wel maar het kan nog niet.
Laat ons maar rustig wachten, we huppelen nog een beetje langs het strand en tellen de golven.
“Eén golf, twee golven, drie golven en een schuimpje.”, en zo gaat het door tot het oneindige en oneindige schuimpjes in alle soorten en maten. Gisteren hoorde ik hoe iemand een inleiding moest geven op een boek maar het boek niet goed vond. Hij reed naar de zee en gooide het boek in het water.
Zich bewust van z’n daad nam hij het boek uit de zee en keek naar wat er van over bleef en vond het goed. Veel spannender al die uitgelopen inkt, vervormde letters.
Mijn zoon vraagt achter een zuurtje maar ik heb geen zuurtjes, hij blijft doordrammen.
“Jongen, word is volwassen”, zeg ik tegen hem en hij kijkt achter zich.
“Waar, papa?”.
Achter ons loopt een sjofele man met een veel te grote trainingsbroek. Hij is duidelijk dronken. Brabbelt een onverstaanbaar lied, loopt van de weg en gooit zich in het gras.
Niemand kijkt er naar. Ja, dat is een vorm van volwassen. Ik kus mijn zoon, luister naar het lied van de Lente en hoop dat we nog even zo blijven.

’t Zijn drukke tijden,
naast de herneming van “U bent mijn moeder”,een stuk dat ik in 2005 maakte voor HETPALEIS met Sien Eggers in de hoofdrol. Ben ik nu bezig aan “Bolleke sneeuw”, een productie die vanaf 07 maart 2009 te zien is in hetzelfde Paleis te Antwerpen. bolleke-sneeuw1
“Bolleke sneeuw” heb ik geschreven en regisseer ik met mijn zoon als grote inspiratiebron.
“U bent mijn moeder”u-bent-mijn-moeder heb ik gemaakt op het ogenblik dat de moeder van mijn zoon en ik definitief uit elkaar gingen. En dan is er nu ook “Vaders”, een monoloog die ik samen met mijn broer Peter heb geschreven over de weg naar het vaderschap en alles daarna.stefan perceval-vaders-copyrightfilipnaudts-guardalafotografia
Vorig jaar heb ik die voor ’t eerst gespeeld en nu komt hij terug, op tour door Vlaanderen.
Alles komt altijd terug.

Gekken van deze wereld,
Met hoeveel jullie zijn weet niemand.
Sommigen van jullie komen al wel eens op televisie.
En nog meer van jullie hebben een hoge positie wat deze wereld soms maakt tot wat hij is. Maar, lieve gekken van deze wereld, waarom een kind?
Waarom met uw gek verstand toch telkens weer een kind slachtoffer maken van uw gekte?
Gekken van deze wereld,moord, slacht, bedrieg, chanteer, doe wat uw hart niet laten kan maar blijf van dat kind.

Ik leef in duistere tijden.
Een glad voorhoofd wijst op ongevoeligheid.
Een gesprek over bomen is een misdrijf.
Is er nog iemand bereikbaar voor zijn vrienden die in nood zijn?

Het is waar: ik verdien goed mijn brood.
Maar geloof me: dat is toeval.
Ze zeggen me: eet en drink toch. Wees blij dat je iets hebt!
Maar hoe kan ik eten en drinken als ik wat ik eet en drink afpak…
En toch eet en drink ik.

In oude boeken staat wat wijs is:
Houd u ver van het kwade in de wereld en zijn korte tijd
Zonder vrees doorbrengen
Kwaad met goed vergelden
Zijn wensen niet vervullen, maar vergeten.
Dat is wijs.
Dat alles kan ik niet.

In dit vak heb je geen uren. Met dit vak ben je altijd bezig. Dat is wat het zo moeilijk maakt als mensen je vragen hoelang of hoeveel je er mee bezig bent; altijd.
Ik heb met mijn zoon de afspraak dat ik als ik thuis kom en hij ligt al te slapen dat ik nog even bij hem langs ga. Meestal slaapt hij door en als hij dan de volgende ochtend vraagt of ik bij hem langs ben gekomen dan vertel ik hem dat ik er ben bij hem ben geweest, over z’n wang heb gestreeld en dat hij dan lachte. En dat is wel zo maar sinds ik het verteld heb ligt hij op me te wachten of schiet hij wakker als ik binnen kom in zijn kamertje.
“Papa, je bent thuis…”, prevelt hij dan en legt z’n armen om mijn nek.
Hij lacht en slaapt verder door.
En ik herinner me dat ik als kind – en nu nog steeds- nooit echt doorsliep.
Ik hoorde het als iemand de trap op liep, als mijn vader thuis kwam of mijn moeder ging slapen. Als mijn broer Peter – met wie ik dezelfde kamer deelde – z’n burolamp doofde was dat meestal het signaal dat het écht al heel laat was en dat ik nu echt moest proberen om te slapen….Maar dat lukte niet. Nog steeds niet. Nog steeds gebruik ik de nacht om in een rusthouding de dag, het werk en het leven te overlopen en dan overkomt het me wel eens dat ik in slaap val.