Onder het mom van vlaggen en beats en braadworsten steken de vele kunsteducatieve organisaties met mooi danserij en indrukwekkende festivalideeën elkaar naar de kroon van het kunsteducatieve werk in gepaste gechoreografeerde en getheatraliseerde hokjes. Dromen worden opgewekt onder “so you think you can dance”-gesterntes of “Belgium’s got talent”- gejureer waarbij de volgende stap zal zijn dat je even succesvol moet zijn als de druiplul die de wedstrijd organiseert.  Kunsteducatieve organisaties houden audities terwijl ik dacht dat deze net de opdracht hadden ze zelf op te speuren en alert te zijn. Natuurlijk is het goed dat jongeren van elke rang en stand kunnen participeren aan kunstige projecten maar vermom ze dan niet als educatieve of sociale projecten want het is niet omdat iemand perfect de passen van een choreograaf kan volgen of de woorden van een theatermaker kan uitspreken dat  dit hem of haar uit de worsteling met het educatieve of de sociale slachtmolen haalt. Ik mis in het hele verhaal van het kunsteducatieve de kracht, empowerment zo u wil,  om mensen te motiveren uit hun cirkel te treden. Sterker nog, vele verhalen worden gecultiveerd en als je dan vraagt wat er uiteindelijk met het verhaal is gebeurt dan blijkt het op een status quo uit te draaien. Houd dom dom maar laat ze wel volgen. Vul er een festival of twee mee, maak nog een project of tien gevolgd door een receptie waar de organisatie de wolken wordt ingeprezen en wie weet komt er dan nog een boekje met handige tips voor alle hervormers en navormers. Laat ze vooral zelf niet nadenken over hoe ze hun toekomst kunnen verder zetten en dat dat meer is dan alleen passen volgen van een choreograaf  of woordjes uitbraken van theatermaker.

Dat moment kan een aanzet zijn maar nergens zie ik het verder zetten van de individuele aanzet. Ook hier worden formats gehanteerd waarbij we straks naar een verijdeld schoolfeest staan te kijken en de werkelijke vragen uit de weg gaan omdat er nergens geschreven staat wat de werkelijk vraag is.

Er zijn van die dagen dat ik minder dartel ben dan anders, ik fluit geen liedjes, neurie minder dan anders, wat mijn huisgenoten prettig vinden en geniet van levenslust en melancholie die me omringen. De feestdagen komen er aan, feesten waarin wordt geopperd dat we allemaal gelijk zijn, er zijn geen meerdere, er is geen verschil tussen geven en ontvangen. Het staat in de boekskes hoe je kan geven en hoe je een goed ontvanger kan zijn? We dansen met als hoogtepunt de polonaise en andere excessen, we lezen dat de wetten van het feest gedomineerd worden door  gevierde imperatoren zoals tv – koks en vrouwen die helemaal in style leven ergens in de verzopen Staten van Amerika. In mijn jonge jaren vond ik deze feesten obsceen en ging meestal werken op die feesten, verstopte me met een paar vrienden achter een muurtje en zopen hele flessen champagne en gin naar binnen omdat we anders moeilijk om konden met de stemming van totale vrijheid die op deze feestjes heerst. Toen ik vijfentwintig was ben ik gestopt met werken op die feesten en laat me vrijmoedig wegzakken en sta helemaal in dienst van: het feest. De plicht is een daad die met grote nadruk en bewustheid wordt gedaan. Aangezien mijn vrouw Nederlandse is behoor ik niet tot de feestvarkens aan de tafel laat staan dat ik een gangmaker ben. Nee, meestal kijk ik naar de feestelijke gebeurtenis en ontdek onder de korst van dit alles de onfeestelijkheden. Hoe, bijvoorbeeld, statussen tegen over elkaar worden opgesteld, hoe diegene die kookt niet kan kiezen tussen actief aan het vuur staan en passief patronen uitstippelen die het feest een andere wending kunnen geven. Laat het duidelijk zijn, ik ben niet gemaakt voor het feest, ik vind een feest een kwetsbare aangelegenheid. Een feest brengt me in staat van ontvankelijkheid voor geluk en verwondering omdat ik dan omringd wordt door rationele mensen die gelovige feestgangers zijn en die het feest aangrijpen om terug aan levenslust te winnen. Mijn zoon is gek van feesten. Elk feest dat  buiten de week om week wissel valt onderhandel ik met zijn moeder  waardoor het feest valt in de spanningszone tussen verwondering en ergernis. “Nicht ergeren nür wunderen”, zou mijn vader zeggen. Als ik mijn zoon met roodaangelopen hoofd en totaal uitgelaten zie rondlopen op een feest dan weet ik wat voor een kunstmatig ideaal het is. Niet alle feesten zijn feesten van belangeloos geduld. Een feest als een revolutie van de rauwe kreet.Ik hef het glas op het geluk dat we mogen feesten, ook dat kent een andere waarheid. En dan word ik stil, kijk naar de lichtjes en voel de kou door mijn handen snijden en ben minder….

Mijn acteurs hebben de slappe lach. Ik las een pauze in zodat ze kunnen uitlachen en steek mijn neus door het venster. Eerder vandaag had ik een veragdering met leerkrachten en vormingswerkers over hoe je “theater” aantrekkelijk kan maken voor jongeren. De vormingswerkers hadden pakketten bij met oefeningen en doelstellingen en evaluaties. Ik vertel dat ik vertrek vanuit hen en ze worden stil, een beetje lacherig. “Maar hoe begin je dan met iemand die helemaal niet durft daar te gaan staan?”, vraagt een bezorgde leerkracht. “Hebt u dan een verkleedkoffer bij?”, vraagt een leraar die zich tijdens de bespreking al had laten opmerken met z’n grapjes en opmerkingen over hoe hij het zou aanpakken. “Nee, ik vertrek vanuit hen.”. Het wordt stil aan de tafel. Een vormingswerker begint te klagen over het feit dat er geen budgetten meer zijn voor vormingswerk en ik vraag of ik nog iets kan betekenen. Ik sta op, loop de veel te lange gangen door en sta uiteindelijk op een vers aangelegd plein. In de auto naar de repetitie is er een programma waar mensen andere mensen de schuld kunnen geven omdat de files te lang zijn of kunnen klagen waarom de werknemers van Ford wel begeleid zullen worden bij hun ontslag en zij niet. Aan een kruispunt vraagt een man of ik mijn venstertje wil openen, ik doe het en hij zegt dat hij geld wil want dat hij er van droomt naar Aberdeen te reizen en dat elke euro welkom is. Ik lieg en zeg hem dat ik geen cash geld op zak heb omdat ik vermoed dat het helemaal zijn bedoeling niet is om naar Aberdeen te reizen. Dom van me, ik weet het. Op de repetitie hebben mijn acteurs de slappe lach, eventjes kan ik meelachen maar dan wil ik voort. Zij vinden het zelf een goed teken dat ze kunnen lachen en waarschijnlijk is dat zo. ’s Avonds kom ik thuis, mijn vrouw en mijn zoon staan daar en ik voel dat er een glimlach rond mijn hart komt. De wereld is stil ’s nachts en vol regels. “Waarom kijken de mensen zo?”, vragen de twee oudjes uit Alleman aan elkaar. “Omdat er regels zijn en als je daar niet aan houdt dan kijken de mensen zo.”. “Regel 1?”. “Regel 1, je mag de kinderen nooit duwen.”. En dat geloof ik ook; je mag de kinderen nooit duwen.

Terwijl de regen rond onze oren kletst, “vol – van –  mijn – kind ouders” je omver rijden met hun aangedampte  voorruiten en volgeladen bakfietsen loop ik met mijn zoon naar school.  Wacht, ik begin opnieuw. Terwijl een moeder aan haar dochter uitlegd dat “ça va” eigenlijk wel goed is en dat het dus niet klopt als ze dit gebruikt als ze zich niet zo goed voelt loopt mijn zoon voor me uit want hij wil alleen naar school lopen en ik moet hem laten gaan. Ik gluur nog even achter de bocht of dat niemand van de bond van grote bakfietsgezinnen en monovolume en –  andere oogkleppen auto’s (“wow, wat is die voorruit zo groot jammer dat ik zo blind ben!) mijn zoon niet omver kukkelt op het een of ander kruispunt.  Hij is nu bijna negen jaar. Ik liep ook alleen naar school en schaamde me als mijn moeder een eindje mee liep. Ik begrijp mijn zoon terwijl hij overdreven met zijn hoofd van links naar rechts staat te schudden omdat ik heb gezegd dat hij goed moest uitkijken voor hij oversteekt.  Ik mag er niet aan denken hoe hij plots door een auto gegrepen wordt. De koplampen die dwaas naar zijn lichaampje kijken en de uitleg van de chauffeur.  Toen ik tien jaar was keek ik door het keukenraampje van het appartementsgebouw waar ik met mijn moeder woonde en had me gespecialiseerd in het herkennen van koplampen. Zonder twijfel kon ik zeggen wat voor type auto het was. Volkswagen golf, Toyata, Lada, Volvo, Ford Escort had  andere koplampen dan de Ford Taurus en ga zo maar door.  Soms waren er koplampen die ik niet herkende en moest dan wachten tot ze onder de straatlantaarn verschenen om het juiste type te zien. Soms was het hetzelfde type maar dan met andere koplampen, nieuwer model ofzo. Ik had ambitie om ooit mee te spelen met “wedden dat!” dan na afloop van de opname het internationale gastjurylid uit te nodigen voor koffie in ons appartementje met bruin vuil tapijt en behang van de vorige bewoners.  Beetje later verscheen mijn moeder dan nadat ze was gaan poetsen bij de één of andere Joodse familie aan het stadspark.  Toen ze thuis kwam zette ze zich meestal direct op de wc. Toen dacht ik dat ze de hele dag haar pis had opgehouden. Nu weet ik dat ze daar even alleen wilde zijn. Een plek die ik herken. Ook toen dacht ik dat mijn moeder misschien ooit wel eens niet naar huis ging komen en panikeerde als de bus kwam maar mijn moeder niet uitstapte onder lantaarnpaal. Misschien een andere bus met andere lampen? Maar altijd kwam ze weer. Soms als ik allang in mijn bed lag maar niet sliep omdat de meest gruwelijk scenario’s zich in mijn hoofd afspeelden. Mijn moeder die onthoofd in een bosje aan het stadspark lag was meestal de climax. Daarvoor – en met stip ook wel een goeie gedachte-  dacht ik dus dat mijn moeder misschien niet meer naar huis kwam omdat ze ergens anders gelukkiger was dan bij mij. En dat begreep ik. Daarom stak ik meestal een kaars aan tegen m’n moeder naar huis kwam. Stofzuigde het ouwe bruine tapijt en zocht naar de goeie combinatie lucht en warmte in huis omdat mijn moeder het graag warm heeft maar ook zuurstof wil hebben. Ze kan uren doorgaan als ze in een ruimte komt waar ze “geen lucht” krijgt. Wacht, ik begin opnieuw. Terwijl ik de bank uitloop duwt een man de deur van bank open en laat de deur tegen zijn dikke pens vallen.  Ik neem mijn zoon mee naar de Quik, één keer per jaar maak ik van mijn verstand een molshoop en doe alsof ik dit gezellig vind en zie dat er vele ouders het ook echt gezellig vinden in de Quik. Het is offerfeest en mijn zoon vraagt zicht  af hoe het komt dat de jongens die in het ballenbad zitten vandaag niet op school waren vanwege het offerfeest maar wel in de Quik. Ik weet het niet. De Quik was vroeger altijd de laatste halte die ik met mijn vader aandeed na een weekendje bij hem. Een milkshake vanille en een hamburger waren onze vaste ingrediënten. Daarna sprong ik op bus 28 en ging terug naar mijn moeder.  Ik realiseer me dat je in dit leven het moment niet kan herbeleven maar je kan wel terug gaan in een herinnering. Wacht, ik begin opnieuw.

Ik stond in de refter van de school. Het deed nu geen dienst meer als refter. Het was een verlaten holle ruimte. Ik zag de kleine stoeltjes waar ik als kind op zat terwijl de oudere kinderen thee en koffie rond deelde. “Wat betekende het eigenlijk voor je?”, vroeg de voorzitter van de oud- leerlingenraad . “Betekend deze school veel voor je?”. “Ja, de school heeft me geleerd hoe ik de dingen niet moet doen. Bij alles wat ik op school leerde dacht ik; dit begrijp ik niet en er is niemand die het me kan uitleggen want iedereen heeft een ander begrip om de dingen te begrijpen.”. Dat laatste dacht ik toen niet in deze woorden want ik had geen woorden en sprak daarom niet. Verlegen of schuw, noemden ze me. Elke schooldag was een terreurdag, in mijn herinnering. “En dit?”, de voorzitter van de oud-leerlingenraad laat me foto’s zien waarop ik gekke gezichten aan het trekken ben.
“Dat herinner ik me niet meer.”. Ik heb blijkbaar alle prettige momenten gewist. Als ik er over praat praat ik alleen over het niet kunnen volgen, het niet begrepen worden, het leven in m’n eigen wereldje op het schoolplein en hoe ik verliefd was op juffrouw Verwimp.
De foto’s laten duidelijk een jongen zien die altijd vooraan stond om plezier te maken. “Het zat er toen al in.”. De voorzitter van de oud-leerlingenraad neemt me mee naar een zaaltje en daar staan dertig van m’n oud klasgenoten. Ze lachen en vertellen over hoe ik eindeloos “Nicolaas Eduard Rammenas”, een versje van Annie MG Schmidt, opdreunde op elk schoolfeest. “Het zat er toen al in.”. Ik herinner me de vluchtpogingen van Joris, een jongen die als een haas weg spurtte in het midden van een les en hoe de leerkrachten achter hem aan liepen maar hem nooit konden pakken. Ik droomde dat ik net zo snel als hij kon zijn. Hoe ik wel toneel wilde spelen en samen met mijn ouders naar toneelstukken van mijn broers ging kijken waar ik m’n eigen verhaaltje bij maakte omdat ik ze anders niet begreep.”Het zat er toen al in.”, herhalen de klasgenoten in een mantra. “Dat is zo.”, zeg ik,” Het zat er toen al in. Maar buiten de schoolfeesten werd er niks mee gedaan. Ik herinner me hoe jij Eddy écht verschrikkelijk drammerig kon voor dragen en jij bent nu leraar wiskunde?.”. Eddy draait nog steeds het zelfde wijsneus-hoofd een andere kant op. Eddy is duidelijk beledigt. Later die avond hoor ik Eddy plannen maken voor het leerlingentoneel dat hij elk jaar trouw regisseert. “Het zat er toen al in.”. Maar toen werd het aanzien als een handicap. Ik heb veel geleerd uit die handicap. Ik kan die handicap gebruiken om dat wat er in zit uit te laten komen. Terwijl ik naar buiten loop blijf ik staan aan het lokaal van het derde studiejaar, een derde jaar dat ik twee keer heb over gedaan omdat ik te veel droomde en te weinig begreep. Nog steeds hangen de truitjes van de Tour de France aan het bord. Bjorn heeft de gele trui. De trui voor het meeste vechtlust bestond in mijn tijd nog niet. Mijn naam stond meestal achteraan, na de bezemwagen. Een vrouw van een van mijn oud klasgenoten komt naast me staan. “Je hebt het wel gemaakt, hé!”. Ik lach verlegen. Weet niet wat ik hier op moet zeggen. “Het zat er toen al in.”, zeg ik en draai me om. Voorbij de turnzaal waar ik buiten tikkertje geen enkele oefening begreep tot aan de poort. Het licht is anders. De poort is groter maar de sfeer hangt er nog steeds. De sfeer van als het er in zit gaan we er niks mee doen want we hebben wel wat anders te doen. Thuis zit mijn zoon met z’n handen in z’n haar over het tellen van blokjes in 3D . Ik probeer hem te helpen maar m’n uitleg brengt hem nog meer in de war en dan realiseer ik me dat hij nu in het derde studiejaar zit en moet volgen. “ Ach, soms is het goed als je iets niet begrijpt.”, zeg ik, “Je hoeft niet alles te begrijpen dat komt later wel.”. Mijn zoon kijkt me aan, pakt m’n hand en zegt; “gekke papa.”. We trekken een foto met een gek gezicht.

Na de premiere van een voorstelling is er altijd het verlangen om langs de zee via Spanje naar Parijs te wandelen. Onderweg eten en drinken, in m’n eigen hoofd weg zinken en luisteren naar de verhalen van passanten die net als ik onderweg zijn naar een andere bestemming. Vele jaren geleden was het een traditie, me even laten wegzinken aan de zee. Verliefd worden op de golven in stille cafés om na een paar dagen weer naar huis te komen en te weten dat het thuis goed is.  Thuis is het goed. Er liggen een paar uitnodigingen om naar de zee te gaan en verder tot in Spanje zijn er plekken die vragen wanneer ik langs kom? Om het hoofd leeg te maken, eten en drinken, luisteren naar verhalen, onmogelijke nachten. Voor me staat een vrouw van in de dertig, ze slaat haar armen om me heen. “Jij verdubbelt zoveel mensen hun levensgenot door je werk!”. Ze volgt veel cursussen, ze zoekt, niet alleen naar zichzelf bovenal naar vriendschap. In het land van de cursussen en trainingen zie ik veel eenzame mensen. De eenzaamheid valt op doordat ze ze proberen te delen met geforceerde sloten en ontbijt. Op korte termijn zoeken ze elkaar op in kantines en delen elkaars klachten maar hun spinnen houdt niet op. Moet niet ophouden. Hun kostbaar weefsel blijft van hen. “Ja, ja, je zou een centrum moeten oprichten waar mensen zich verder kunnen verdiepen in jouw werkwijze, ’t is een enorme hype!”.  Het zou veel breder moeten zijn dan tijdelijke slogans en de enorme hype die er nu heerst rond alles wat coach is; coaching,  coaching body and soul, coaching filosofie, couching, cachou…. Maar de vrouw heeft gelijk de mogelijkheden zijn pijnlijk groot maar ze blijven wel de mijne. Zoals vallen geen enkele betekenis heeft als je hoogtevrees hebt, het is een uitgangspunt waardoor je niet verder kan.De absolute sprakeloosheid. Lange wandelingen langs de zee via Spanje naar Parijs en onderweg ankerplaatsen maken.