Dat een centimeter op een  kaart overeenkomt met twintig kilometer in de werkelijkheid, is geen probleem, dat snappen we, maar waar we doorgaans niet bij stilstaan, is dat onze eigen afmetingen bij die bewerking eveneens worden teruggeschroefd, vandaar dat wij, toch al zo onbeduidend klein in het echt, op een landkaart nog oneindig veel kleiner zijn.

Zo klein en breekbaar staan mijn studenten van de Zonneweelde uit Lommel nu dagelijks voor me. Mensen vergissen zich zo  over hen. Ze denken dat ze het leuk vinden als ze gedwon­gen worden om hun evenwicht te bewaren in deze maatschappij, een piepklein  oppervlak waar ze amper steun vinden.  Ik draai de maatschappij samen met hen om. We blijven vriendelijk en hebben heel veel geduld. De com­municatiemiddelen blijven ondanks alles, lastig en niet bijster efficiënt,  we  nemen aan dat de postduiven een actievere rol hebben gespeeld in de complexe logistieke opera­tie van dit leven. En  om zulke redenen haal je je in het leven haast ongemerkt heel veel vooroordelen op de hals en daar leren we mee leven. Om hen aan het werk te zien moet je volgende week naar Lommel komen. 

Daar waar de stilte stillekes afbrokkelt. Na weken van zoeken interesse ontstaat. Dikwijls voor het eerst. Komen verhalen van kleine mensen met kleine gedachten maar grote emoties naar boven. Over hoe een lelijke eend een mooie zwaan wordt, over het dansen van alle dagen, over hoe je van sneeuw moet pissen en de kermis, over hoe een leugen ook spelen is, over brommers en moeders, over te vroeg en te laat geboren worden en over de boezem van de lucht, eikels en engelen  en  nog veel meer. Daarover gaat dit verhaal dat ik samen met een groep studenten van “Zonneweelde” uit Lommel mag maken.  Ik hoop dat ge komt kijken.

Die hoofden overal. Hoofden in profiel. Frenetieke en radeloze hoofden. Rustige hoofden. Hoofden van schrijvers, dansend door hun tekst. Mijn hoofd dat ik te koop zou aanbieden mocht er iemand geld voor geven. De hoofden van het publiek dat dan weer verder gaat in lichamen en ledematen. Mijn hoofd voelt als een werf, waar veel samen werkt in allerlei complexe verbanden. Gisteren stond ik met mijn zoon en mijn lief aan een ijsjeskraam – op een ogenblik dat ik de economische betekenis van dit bestaan even los liet – ik vroeg hen wat voor smaak ze wilde en bestelde iets helemaal anders. Mijn zoon trok aan mijn mouw en zei; “papa,  je bent je hoofd vergeten.”. En dat was zo, een vergeten hoofd ligt ergens te wachten.

Terwijl ik de muziekacademie verlaat waar ik wekelijks les geef na een avondje opboksen tegen provinciaal burgerlijk, soms godsdienstige of psychosomatische problemen. Zie ik op de hoek van de straat een bord met daarop “authentieke kunst”. Ik loop het hoekhuis binnen want het bord lokt mijn nieuwsgierigheid. Wat ik zie is een potloodtekening, een ruwe schets van een soort tulp, denk ik. Onderaan het werk staat “Naakt” maar ik zie een tulp. Is dat nu authentieke kunst? Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd; als dit kunst is moet ik misschien toch maar de opleiding tot piloot gaan volgen? Een kortstondige kreunende adem hijgt in m’n nek. Achter me staat een klein mannetje, “schoon hé?”. Ik weet niet wat zeggen want de vraag of dit nu authentieke kunst is spookt nog steeds door mijn hoofd. Voor deze man zeker, voor mij niet. Maar wat is dan authentieke kunst? Dat is voor iedereen anders. “Ik weet dat het een tulp is maar ik zet er “naakt” onder dat verkoopt beter.”, lacht het kleine mannetje. En dat is kunst ook natuurlijk, een manier van overleven.

Ik ontmoette fotograaf Kris Dewitte voor het eerst ongeveer dertien jaar geleden op een filmset in Brussel. Een jaartje later vroeg hij me  in het kader van zijn boek “Jong”, een subjectief overzicht van het jong, aanstormend acteertalent in Vlaanderen begin deze eeuw.  Kris Dewitte voelt heel goed aan wanneer de energie juist is. Deze week mocht ik  even bij hem zijn op een verlaten locatie in Antwerpen,