Ik moet €20000 aan de belastingen. Iets van te veel werken en te weinig belastingen afgehouden. Te veel werken is nooit goed. Dat weet ik en meestal doe ik het dan ook gratis maar deze keer dacht ik dat het goed was om er ook voor betaald te worden maar dat was dus verkeerd gedacht. Stom.  Ik zoek die centen. Weet niet waar te beginnen. Misschien in het stof van het huizenblok dat ze hier een beetje verder aan het afbreken zijn. Je proeft er de gesprekken die zijn gevoerd tussen wat ooit muren waren, de ruzies of waren het onhandige liefdesverklaringen? Ooit hebben mensen hier echt hun best gedaan om het gezellig te maken. Straks verschijnen hier nieuwe woontorens gevuld met diezelfde liefdesverklaringen maar dan anders. Meer geprefabriceerde gezelligheid. Zoals de tanden van Jantje Smit. Wat heeft die man witte tanden! Onmogelijk dat die tanden echt zijn. Zelf droom ik al sinds mijn twaalfde van nieuwe tanden. We deden thuis niet aan tandverzorging en toen ik 20 was raapte ik al mijn moed bij elkaar om voor het eerst naar een tandarts te gaan. Hij sloot altijd zijn ogen als hij in mijn mond keek alsof het er niet toe deed waar hij zijn boormachine stak. Rot tot op het bot en de jaren nadien ging ik elk jaar naar de tandarts. Zeker toen ik vader werd om “het goede voorbeeld” te geven. Veel valt er niet meer te keuren in die mond van me en nu is het ook weer een jaar of zes geleden dat ik nog geweest ben. De laatste keer dat ik ging was er een tram bij m’n tandarts binnen gereden. Al van ver zag ik mijn tandarts staan in de openlucht van haar praktijk. Een bijzonder kunstwerk met op de achterbank een groep verschrikte reizigers zonder afspraak. Haar secretaresse zei dat ik later maar eens terug moest komen maar toen was er Corona en daarna te veel werk en toen dacht ik; ik ga keihard werken voor dezelfde tanden als Jantje Smit maar het mag niet zijn. Eerst de belastingen en dan wie weet…. op een dag…. die tanden.

Vrouwen die ik mag ontmoeten met de kunsten als motor. Achter de muren van onwetendheid.

Het meisje.

Het meisje is naar de kapper geweest.

Ze draagt een nieuw kleed.

“Ik ben mooi, hé!”

En haar ogen glinsteren.

En ze komt te dicht bij.

“Ik heb gedroomd.”, zegt ze.

Het kind.

Het kind fluistert.

Niemand mag horen wat ze zegt.

“Ik word 18.”

De vrouw.

De vrouw rookt een sigaret en lacht naar me.

Het meisje.

“Ik heb gedroomd.” zegt ze.

Het blind meisje vraagt aan het meisje om rustig te zijn want het meisje zijn haar ogen.

“Ik heb gedroomd dat mijn kind me komt bezoeken in deze gevangenis.”

Het kind.

“Ik word achttien en moet trouwen. Mijn ouders zoeken al een man. Maar ik wil dokter worden en dan president in een land waar iedereen vrij is en waar ik kan samenleven met mijn vriendin.”

Het meisje.

“Mama, jij hebt mij negen maanden gedragen. Ik ben het kind van je vader maar jij bent mijn mama. Ik wil bij je zijn, mama. Zo zei mijn dochter het.”

Het blind meisje zegt dat ze al een paar dagen zo is en dat ze schrik heeft dat ze weer uit elkaar worden getrokken want dan zijn haar ogen weg.

De vrouw.

“Morgen komt mijn man terug.”.

Het meisje.

“Waarom hebben ze haar van me afgepakt terwijl mijn vader en de man die me mishandelde nog vrij rondlopen? Ik wil alleen mijn kind zien maar zij zeggen dat ik gek ben. Ik ben niet gek….Ze hebben mijn kind afgepakt.”. Twee begeleiders staan zenuwachtig “want als ze het weer krijgt dan nemen we haar mee.”

“Wie gaat mij dan helpen?”, vraagt het blind meisje.

Het kind.

“Ik wil niet trouwen. Kan jij me helpen?”

De vrouw.

“Als mijn man terug is mag ik geen toneel meer spelen. Dan moet ik thuis blijven. Kan jij een brief schrijven dat ik toneel moet spelen. Doe het met veel stempels. Dan denkt mijn man dat het heel officieel is. Hij is altijd onder de indruk van officieel; mensen met een uniform of met medailles of….een fanfare.”

Het meisje.

“Ik zit gevangen in mijn hoofd. Onder mijn mooie haren is er veel verdriet.”.

Het blinde meisje vraagt of ze haar hand wil nemen.

Ze neemt haar hand en samen wandelen ze verder.

De dag nadien krijg ik het nieuws dat het meisje is opgenomen in een psychiatrie.

Ik zal haar heel lang niet zien.

“Tot dat we de gepaste medicatie vinden.”

Het kind.

Speelt de sterren van de hemel en verdwijnt in straten waar mensen de deuren sluiten als ze voorbij komt. Ik hoop dat ze op een dag president is van een wereld waar iedereen gelijk is en zij kan samen leven met haar vriendin.

En ondertussen bouwen we muren van onwetendheid rondom ons.

De witte man die onze voorstellingen verkocht weigert de voorstelling IK NOEM JOU over transgenerationeel trauma te verkopen omdat het over “de joden” gaat. Hij telt zijn centen en draait zich om.

De burgemeester van een stad weigert een affiche op te hangen waar vrouwen met een hoofddoek op staan.

Die muren worden steeds hoger, onwetender want we denken dat het goed is zoals het is.

Nablozend van dat alledaags moment waarop de wereld je heeft opgevangen in haar zachte mos. Net dat moment waarop je even niet vastberaden en met geduldige haast stappen zet maar durft te struikelen daar staat de liefde.  

“Ik ben geen hond.”, waren de eerste woorden die je in mijn mond legde.

We zijn het jaar 1999 en jij rijgt de eene prijs na de andere aan elkaar. We spelen in het Antwerpse Toneelhuis de Oresteia in jouw bewerking en ik speel Orestes. “We gaan elkaar kapot neuken!”, roept de regisseur en ik weet niet wat ik daar mee moet. Aan de andere kant van de tafel zit jij met die verdomde monkellach van je en ook daarmee weet ik niet wat ik er mee moet.  “Ik ben geen hond.” en wat volgt is een helletocht in een poel van brak water met jouw woorden. En collectief schuiven we uit op jouw woorden en in het bad. Vingers, armen, benen, hoofden worden gekneusd en gebroken terwijl de regisseur naar me roept; “Kan jij niet neuken ofwa?”. Na de eerste doorloop stonden we onze wonden te likken en fluisterde je dat je m’n teksten had gelezen. Jij? Mijn teksten? Mijn gestamel in vergelijking met jouw woorden. En dat je het goed vond. Jij die de eene prijs na de andere kreeg voor het helder achter elkaar zetten van letters waarop mensen zich lieten meevoeren naar oorden waar zij nooit eerder waren geweest vond mijn pap aan gedachten goed. Je zei: “Ik vind het goed. Schrijf zeker verder. Dat is echt goed”.Dat zei je. Gevolgd door dat ellendig monkellachje.

En dat in een tijd waar ik dolend rond liep mezelf spiegelend aan mensen die me niet de weg wezen maar me steeds verder weg duwde van mezelf. Nooit dacht ik goed genoeg te zijn.

Twee jaar reisden we samen grote stukken van Europa af waar jij voor of nawoordjes moest geven en we na afloop café’s opzochten in steden die al sliepen, de bar van het hotel weer opende of onze mini – bar plunderden.  En telkens vroeg je of ik nog schreef en dat ik dat zeker moest blijven doen.

In 2007 stond ik op oudjaarsavond boven op het dak van het appartementsgebouw waar ik toen woonde. Als kind dacht ik dat ik kon vliegen maar nu wilde ik een einde maken aan mijn leven. De wereld ging beter zijn zonder mij. Anders maar beter. En terwijl ik daar stond en België zich klaar maakte voor een nieuw jaar duwde ik de mozaïek van de voorbije jaren in mijn hoofd samen. Daar was heel veel schoons en mijn zoon was daar het allerbelangrijkste maar daar waren ook jouw woorden.

“Schrijf verder.”. Die oudejaarsnacht ben ik terug beginnen schrijven. En besefte ik dat de natuur ons ongevraagd en zonder waarschuwing mee neemt in de kringloop van haar dans tot wij uitgeput zijn en uit haar arm vallen in de zoektocht naar onszelf.  Ze maakt het ons niet makkelijk; ze schept altijd opnieuw nieuwe gestalten; wat is was er nog nooit; wat was, komt nooit meer terug – alles is nieuw en toch steeds het oude. En wij proberen ons daar naar te verhouden want wij leven midden in haar en zijn haar toch vreemd.  We luisteren niet. Ze spreekt onophoudelijk met ons, maar verraadt ons haar geheim niet. Wij werken de hele tijd op haar in en hebben toch geen macht over haar.

In deze tijd lijkt alsof ze alles ingezet heeft op individualiteit, maar ze bekommert zich niet in het minste om het individu.  En wij zien het niet. Wij lopen elkaar voorbij. En met elkaar praten doen we al helemaal niet.

Die avond besefte ik dat er niets zo ver van je ik kan af staan als jij zelf.  Verblind door creaties die uit het niets tevoorschijn komen zonder te weten waarheen ze gaan. En toch wil je erbij horen. Zo ver van jezelf.  Die verdomde ijdelheid waardoor we elkaar voorbij lopen en niets zien.  Die avond begon ik weer te schrijven maar vanuit mezelf, met mijn eigen tong en hart waardoor ik opnieuw begon te spreken en te voelen. Maar anders dan voordien.

Vanuit de mens die ik echt was. Een mens die zich niet hoeft te schamen voor wie hij is.

Die zich niet schaamt voor zijn achtergrond.

En dat ben ik blijven doen. Weg van de taal van de schaamte op de weg van de taal van de schaamte. Zoals met Fabian. Een jongen met autisme. Zogezegd niets mee aan te vangen, zegt geen woord. Op een middag vraag ik hem: ‘Waarom zeg jij eigenlijk niets?’. Een kwartier stilte. Niets. En dan plots superstil: ‘Mijn papa is dood.’”
Dat kan je toch begrijpen dat iemand zo veel verdriet heeft dat hij niet meer kan spreken.  De taal van de stilte. En dan is onze samenleving erop gericht dat ze zeggen: zijn broer en zijn zus die praten wel. Het zal wel aan Fabian liggen. En hup, etiket op zijn kop geplakt. Autisme en naar het bijzondere onderwijs waar hij godganse dagen hemden mag strijken en hagen snoeien. Ik vroeg hem waar hij van droomde en hij zei dat hij droomde van de sterren en planeten. De dag nadien had hij een dikke bundel bij met teksten over de sterren en planeten. We hebben daar een tekst van gemaakt die hij heeft gespeeld. Na afloop fluisterde z’n mama; “bedankt, je hebt mijn zoon terug gegeven.”. Hij was weer beginnen praten. Hij was enthousiast. Hij belde me toen we pas in Oostende woonde en bedankte me dat ik achter zijn muur had gekeken want hij studeerde af aan de Technische Universiteit van Eindhoven. Dat is de kracht van kunst. De taal van kunst.

Onze sporen liepen ver uit elkaar, Peter. Dacht ik. Jij ginder in de grote theaters en ik diep in het veld. We weten niks meer van elkaar. Dacht ik. Twee jaar geleden zocht ik jou op. De schrijver met de monkellach. De schrijver over wiens woorden ik zo vaak gestruikeld was.  Ik dacht dat je nooit op mijn vraag zou ingaan want ik vroeg je of je met onze Hartenspelers zou willen werken? En ik zocht je op.  In je klooster waar je elke een dag “een gedichtje schrijft”, zoals je zelf zegt en potjes bakt. Prachtige potjes in allerlei vormen en maten en we waren samen zenuwachtig en haalden herinneringen op aan hotelkamers en zalen die boos leeg liepen.

En toen vroeg ik je en je zei ja. Je ging de spelers allemaal spreken. Daar in je klooster in Brugge waar je zoals je zegt “een gedichtje schrijft” en een potje draait. Het zijn heel veel potjes trouwens.

En één voor één sprak je met de spelers. En telkens liet je me weten dat je weer een boek had. En ik ontdekte de mensen mens Peter in jou. De mensen mens met dat monkellachje van meer dan twintig jaar geleden die veel mens verbergt in grillige woorden waar je prijzen voor krijgt. Een goed verborgen mensen mens.

Een mens die worstelt, mens die wil lief hebben, mens die het liefst steen na steen onze wereld zou willen herbouwen.  Je gaf de spelers jouw woorden met respect voor hun woorden. En daar kwam een fantastische voorstelling uit: Parade. Een geschenk van jou aan hen en weer terug van hen naar jou.

En terug en opnieuw. Een geschenk van jou naar hen en van hen naar jou. En dat is liefde. Dat is een liefde die oproept om beter of misschien wel eindelijk eens naar elkaar te luisteren. En dat is liefde. Dat luisteren. In gesprekken, in woorden, in stilte naar elkaar luisteren. Dat is liefde.

Nablozend van dat alledaags moment waarop de wereld je heeft opgevangen in haar zachte mos. Net dat moment waarop je even niet vastberaden en met geduldige haast stappen zet maar durft te struikelen daar staat de liefde.  

Bedankt om te luisteren.

Geschreven in opdracht van Kunstencentrum Kaap, voor Let Love Rule 2025.

Op donderdag en vrijdag staan ze op de hoek van de straat. Ze staan daar waar de kapper net overleden is. Een moeder en een dochter.  Ze wachten op een bus. Als ik voorbij kom strekt de dochter haar hand uit. Een hand met smalle vingers valt in de mijne. Het begon een tijdje geleden met een knikje op afstand alsof er wederzijds begrip was voor wie we zijn. Het knikje werd een opgestoken hand en nu diezelfde hand in de mijne. Ze wachten op de bus. De moeder houdt de andere hand van de dochter stevig vast. Ze zal haar niet lossen. Nu nog niet. De dochter heeft kleine azuurblauwe pretogen die me vertellen wat ze vandaag gaat doen. De moeder luistert met een hart dat overstroomt van liefde naar de woorden van haar dochter. Daarom wonen ze aan de zee, zegt de moeder. Vlakbij het strand. “Dan kunnen we veel naar buiten. Wandelen.”, zegt de moeder en ze perst haar lippen op elkaar. Als kind wandelde ik ook veel met mijn moeder. In het Fort van Merksem. En dan is de bus daar. Een bus met gekleurde lampjes en medepassagiers met helmen in alle maten en formaten. De moeder legt haar hand in de rug van haar dochter terwijl ze de bus instapt. De dochter heeft haar vaste plaats aan het raam en knipoogt naar haar moeder en perst haar lippen op elkaar terwijl de bus vertrekt. “Ze gaat twee dagen in de week en dan mis ik haar.” en de moeder draait haar ogen in de grond terwijl haar voetenstappen verder gaan. Ontmoetingen van een paar seconden. Ik wens iedereen elke dag ontmoetingen van een paar seconden met uitreikende handen en pretogen van azuurblauw.

“Lieverds, Als ik bij jullie ben dan besef ik hoe gelukkig we zijn. Ik moet hier weg omdat ik nog teveel verdriet in mij draag. Verdriet dat ik nog een plaatsje moet geven. En dat zou voor jullie een enorme belasting zijn op jullie geluk. Dus laat jullie geluk niet afhangen van mijn verdriet. Ik zoek er een plek voor en kom dan stiekem weer kijken naar jullie geluk. Pa.”

Je zou willen dat je vader dat had geschreven. Maar dat deed hij niet. Hij verdween zonder woorden. Geen echo’s. Hij nam nooit afscheid. Ons eerste contact was een brief waarin hij het recept van pannenkoeken beschreef en later als ik bij hem op bezoek ging zwaaide hij van ver terwijl de trein weg reed. Van ver. Zwaaien. Dat is het dichts bij afscheid nemen dat mijn vader kwam. Hij sprak niet over zijn verdriet. Hij sprak over zijn vader en hoe die op riet kon fluiten en over de aaneenrijging van stommiteiten – waar ik er één van ben – die zijn leven kleurde. Ook tijdens zijn doodstrijd wilde hij geen afscheid nemen. Hij keek me in flitsen kwaad aan terwijl ik afscheid nam alsof hij het leven nog wilde omarmen en praten over alles wat dat leven in zich heeft en wat we nog generaties met ons meedragen.

Ook zijn verdriet.

“Zoon, Ik ben een overlever. Ik word kotsmisselijk van geluk en kan het geluk van jou en je gezin niet meer horen, zien, ruiken. Ik wil niet dat je voor me zorgt. Laat me vallen. Draai je om. Spreek achter mijn rug. Dan kan ik je nawijzen. Ma.”

Mijn moeder vertrok zonder afscheid te nemen. Zolang ik haar ken is ze het leven beu. Ze was het beu dat we voor haar wilde zorgen. We deden een zeese poging om haar gelukkig te maken maar dat wilde ze niet. Ze zat vier weken klaar dus bananendozen en vertrok zonder achterom te kijken.  Ze leeft nog maar spreekt via anderen met mij over wat ik zou zeggen als haar dokter zegt dat ze niet meer voor zichzelf kan zorgen. Als ik bij haar ben neem ik afscheid zonder dat ik haar zeg dat het een afscheid is. Ik draai me om en weet dat het misschien de laatste keer is. Dat geeft verdriet. Verdriet dat ik een plek geef terwijl er geluk is.

Lieve slapende kunsten,

Mijn lief slapend lief,

’t Is waar.

Ge moet u telkens weer in de harten van de mensen nestelen

En dat doet ge, geloof me

Telkens weer

O zo vluchtig

Ge brengt mensen samen soms

Laat ge u opjagen en zet veel te snel iets neer in een braderijsfeer

Waar diversiteit en participatie lotjes zijn in den tombola  

Die vluchtigheid werkt niet,  mijn lief

Nestel u duurzaam in de harten van mensen

Daar waar niemand komt

Waar diep verscholen het echte zijn van de mens ligt

Want dat is uw kracht, mijn lief slapend lief

Niemand zoals gij kan de mens de waarde(n) geven die hen versterken

Door uw krachten te laten voelen in

Stemmen die vibreren

In bewegingen waar stilstand is

Dansend met lijnen die verstomd leken

Of waar diagnoses op voorhoofden mensen laten verbleken

Omdat het makkelijk is een diagnose te zijn van iets wat niet te begrijpen valt

Net zoals gij, mijn lief slapend lief.

Word wakker!

Ga de straten op en luister naar het verstomd gefluister

Dat dreigt ons uit elkaar te spelen

Toe, ge zijt zo veel meer dan een vluchtige passant

Ik bemin u samen met vele vele anderen

Leven we van u

Mijn lief slapend lief.

De levensjas van mijn moeder hangt uitgerafeld aan de kapstok. De wind giert door de jas. Voor zover ik weet was de jas zelden warm.

Met ingehouden adem kruipt ze elke avond in haar bed om met het priemen van de dageraad en de kat die met haar poot door haar haar heen gaat weer een nieuwe dag te beginnen.  Met haar jas open wandelt ze op zaterdagen tot aan de krantenwinkel maar zeker niet verder dan dat. Het wereldnieuws en de verhalen over haar zonen en kleinzonen verdwijnen dan in haar zak om de rest van de week zorgvuldig te lezen. En elke zaterdag speelt ze op de Lotto. Maar winnen deed ze nog nooit. En als oorlogsgeleerden op de televisie verschijnen vervloekt ze hen voor het bouwen van deze wereld waar te veel mensen het moeten stellen zonder jas. Aan de levensjas van mijn moeder is heel haar leven getrokken. In buien van destructie trekt ze zelf aan haar jas. De mooie kantjes zijn er allang af. Soms maakt ze plannen om te verdwijnen. Haar jas te laten drijven op het oneindige water van de zee. Zonder afscheid te nemen. We zouden hem wel herkennen die jas die haar dagen vol tegenstrijdigheden vullen. De zakken vol gedichten van eindeloos heimwee naar de dagen dat haar moeder nog bij haar was en haar jas aan deed.

Toen ze vijf was deed ze haar jas moederloos alleen aan van huis naar huis waar ze zich nooit thuis zou willen voelen. In de liefde werd haar jas binnenste buiten gedraaid en werden de armen vele malen opnieuw op de schouders genaaid. Voor kinderen scheurde ze stukken uit haar jas omdat ze ervan overtuigd was dat de jas beter weggegeven was.

Nu hangt hij daar aan de kapstok. Ze doet hem nog maar zelden aan….op zaterdagen….voor de Lotto en af en toe om naar het graf van haar moeder te gaan.

De brug is weg, pa.

Toen je zo oud was als ik nu wees je naar het huisje naast de brug.

Daar gaan we wonen, zei je.

Ik zal elke dag spaghetti maken, zei je.

Wij twee, zei je. Hier langs het Albertkanaal.

En in de zomer springen we van de brug in het water.

De brug is weg, pa.

Je vertelde dat er vroeger nog een andere brug waar ook jij met je vader stond en droomde van een ander leven. Eventjes hebben jullie het geprobeerd maar in Frankrijk riepen ze, “salle Flamand” en moest je als kind op het land werken en zwijgen.

En toen kwam je terug en moest je helemaal opnieuw beginnen omdat de buren met het bestek van je ouders aten.

De brug is weg, pa.

We gingen altijd wel is kijken of het huisje er nog stond en of het niet te koop was en dan fantaseerde je over hoe wij daar een leven zouden hebben. Naast die brug.

Met kippen, zei je.

Nu is er een nieuwe brug. Dezelfde als al die andere nieuwe bruggen.

En het huisje ligt er verlaten bij.

We hebben er nooit gewoond, pa.

Ik had schrik om ma achter te laten.

En de brug tussen ons verbrokkelde in de tranen van mijn moeder die ooit jouw vrouw was.

Die naast de brug samen met jou een leven had proberen te bouwen.

Maar dat was mislukt.

De brug is weg, pa.

Er is nu een nieuwe brug waar ik op een dag met mijn jongens zal staan en zeggen,

Kijk daar, naast die brug wilde mijn vader met mij gaan wonen en elke dag spaghetti eten.

En ze zullen waarschijnlijk lachen met de gedachte aan elke dag spaghetti.

Ik zal hen vertellen, pa

hoe jij hier vele keren hebt geprobeerd een brug te slaan tussen werelden die toen niet bij elkaar wilde komen.

En hoe die brug hier was en ik met jou in een bootje onder die brug zat en keek naar de vogels die nieuwe nesten bouwden in het geraamte van  

de brug die weg is, pa.

En hoe die vogels dat elk jaar opnieuw deden.

Onder die brug.

Mag ik jouw verloren loper zijn? Ik ken de weg niet. Kijk naar de groeven in het landschap die me aanstaren als oude bekende. Af en toe kom ik een mens tegen. In niks te vergelijken met jou. Ze houden van de suggestie te weten waar ze zijn. Wij laten ons leiden door de intuïtie van het moment en beslissen om ons leven helemaal om te gooien. De natuur laat me graag verloren lopen in de levens van andere mensen. Ik loop graag verloren. Dan weet ik dat jij daar ergens bent. Als ik echt nergens ben zie ik het gezicht van mijn vader die vanuit zijn zijn de weg wijst en de zon laat schijnen. Terwijl ik zon en weg koester zie ik hoe onrustig mensen over wegen lopen zonder naar de zon te kijken. Kijk, ze vergeten dat ze enkel tijdgenoten van zichzelf zijn. Kijk, ze lopen met roerloze harten wakker rond in hun eigen slaap. Kijk, aan grenzen zetten ze hun kinderen af. In de hoop dat door nooit meer om te kijken deze kinderen gelukkig zullen zijn. Op zulke momenten hangt mijn hoofd in mijn handen en streel jij mijn blik naar boven. Met zachte pas geef je de dagen weer richting om verloren te lopen.

(Voor Marit, altijd voor jou.)

We zijn midden jaren tachtig. En mijn vader heeft de leeftijd die ik nu heb. We slapen samen in een eenpersoonsbedje op een kamertje waarvan het vensterraam altijd open staat bij mijn tante Blondine in Bilzen. Ik zie de vlekken op mijn vaders huid, dezelfde vlekken waarvan mijn zoon Arthur nu zegt dat ik vlekken op mijn huid heb. Het is zomer en mijn vader snurkt en werkt in Antwerpen. Ik blijf alleen bij m’n tante Blondine en rijd als een bezetene de Kattenberg op en af in de hoop ooit de Tour de France te winnen. In de namiddag mag ik gaan helpen bij “Big Louis”, een taverne in Bilzen waarvan de eigenaar – den dikke Louis – bij het opstaan naar de frigo loopt zijn insulinespuit zet en tussen de sla gooit terwijl hij aan mij vraagt om een portie bitterballen voor hem te bakken. Eén portie zijn zes bitterballen in het frituur. Daarna mocht ik groenten snijden voor de Altamira Grill, een hete steen waar mensen zelf hun vlees en groenten op konden bakken. Als de stenen dan terugkwamen moest ik de afdrukken van te hard gebakken vlees en groenten eraf afschrobben. Die stenen waren een groot succes dus ik moest veel schrobben.  Louis had een vaste ober,Bart. Hij kwam me soms halen in de keuken en dan keken we samen van achter de bar naar de mensen die in de taverne zaten. Hij brabbelde dan iets Bilzers en lachte en ik deed alsof ik het begreep en lachte ook. Zo kwam hij me ook altijd halen als die van Boeketje Vlaanderen van de steen kwam eten. Het was Gerty en ze woonde in Bilzen. Zeker één keer per week kwam ze bij Big Louis en zat ze aan de tafel van den dikke Louis te lachen en vlees te bakken op die steen. Dat was de tijd dat ik dacht dat het orkest dat je hoorde in films nog verstopt zat in de bosjes achter de personages die met veel drama hun woorden debiteerden. En zo was ook de magie groot dat Gerty Christoffels daar zat. Met haar prachtige ogen recht uit den tv. Daags nadien keek ik dan met tante Blondine naar Boeketje Vlaanderen en zocht de muzikanten terwijl tante Blondine riep; “Da’s één van Bilzen!”. Beetje later was Gerty weg uit Bilzen. Ze was verliefd geworden op een andere man en kwam niet meer in Bilzen.  Louis en Bart keken naar de foto’s die ze hadden van hen met Gerty en het vaste voornemen ze op een dag eens in te kaderen en boven de glazen te hangen.