Nablozend van dat alledaags moment waarop de wereld je heeft opgevangen in haar zachte mos. Net dat moment waarop je even niet vastberaden en met geduldige haast stappen zet maar durft te struikelen daar staat de liefde.
“Ik ben geen hond.”, waren de eerste woorden die je in mijn mond legde.
We zijn het jaar 1999 en jij rijgt de eene prijs na de andere aan elkaar. We spelen in het Antwerpse Toneelhuis de Oresteia in jouw bewerking en ik speel Orestes. “We gaan elkaar kapot neuken!”, roept de regisseur en ik weet niet wat ik daar mee moet. Aan de andere kant van de tafel zit jij met die verdomde monkellach van je en ook daarmee weet ik niet wat ik er mee moet. “Ik ben geen hond.” en wat volgt is een helletocht in een poel van brak water met jouw woorden. En collectief schuiven we uit op jouw woorden en in het bad. Vingers, armen, benen, hoofden worden gekneusd en gebroken terwijl de regisseur naar me roept; “Kan jij niet neuken ofwa?”. Na de eerste doorloop stonden we onze wonden te likken en fluisterde je dat je m’n teksten had gelezen. Jij? Mijn teksten? Mijn gestamel in vergelijking met jouw woorden. En dat je het goed vond. Jij die de eene prijs na de andere kreeg voor het helder achter elkaar zetten van letters waarop mensen zich lieten meevoeren naar oorden waar zij nooit eerder waren geweest vond mijn pap aan gedachten goed. Je zei: “Ik vind het goed. Schrijf zeker verder. Dat is echt goed”.Dat zei je. Gevolgd door dat ellendig monkellachje.
En dat in een tijd waar ik dolend rond liep mezelf spiegelend aan mensen die me niet de weg wezen maar me steeds verder weg duwde van mezelf. Nooit dacht ik goed genoeg te zijn.
Twee jaar reisden we samen grote stukken van Europa af waar jij voor of nawoordjes moest geven en we na afloop café’s opzochten in steden die al sliepen, de bar van het hotel weer opende of onze mini – bar plunderden. En telkens vroeg je of ik nog schreef en dat ik dat zeker moest blijven doen.
In 2007 stond ik op oudjaarsavond boven op het dak van het appartementsgebouw waar ik toen woonde. Als kind dacht ik dat ik kon vliegen maar nu wilde ik een einde maken aan mijn leven. De wereld ging beter zijn zonder mij. Anders maar beter. En terwijl ik daar stond en België zich klaar maakte voor een nieuw jaar duwde ik de mozaïek van de voorbije jaren in mijn hoofd samen. Daar was heel veel schoons en mijn zoon was daar het allerbelangrijkste maar daar waren ook jouw woorden.
“Schrijf verder.”. Die oudejaarsnacht ben ik terug beginnen schrijven. En besefte ik dat de natuur ons ongevraagd en zonder waarschuwing mee neemt in de kringloop van haar dans tot wij uitgeput zijn en uit haar arm vallen in de zoektocht naar onszelf. Ze maakt het ons niet makkelijk; ze schept altijd opnieuw nieuwe gestalten; wat is was er nog nooit; wat was, komt nooit meer terug – alles is nieuw en toch steeds het oude. En wij proberen ons daar naar te verhouden want wij leven midden in haar en zijn haar toch vreemd. We luisteren niet. Ze spreekt onophoudelijk met ons, maar verraadt ons haar geheim niet. Wij werken de hele tijd op haar in en hebben toch geen macht over haar.
In deze tijd lijkt alsof ze alles ingezet heeft op individualiteit, maar ze bekommert zich niet in het minste om het individu. En wij zien het niet. Wij lopen elkaar voorbij. En met elkaar praten doen we al helemaal niet.
Die avond besefte ik dat er niets zo ver van je ik kan af staan als jij zelf. Verblind door creaties die uit het niets tevoorschijn komen zonder te weten waarheen ze gaan. En toch wil je erbij horen. Zo ver van jezelf. Die verdomde ijdelheid waardoor we elkaar voorbij lopen en niets zien. Die avond begon ik weer te schrijven maar vanuit mezelf, met mijn eigen tong en hart waardoor ik opnieuw begon te spreken en te voelen. Maar anders dan voordien.
Vanuit de mens die ik echt was. Een mens die zich niet hoeft te schamen voor wie hij is.
Die zich niet schaamt voor zijn achtergrond.
En dat ben ik blijven doen. Weg van de taal van de schaamte op de weg van de taal van de schaamte. Zoals met Fabian. Een jongen met autisme. Zogezegd niets mee aan te vangen, zegt geen woord. Op een middag vraag ik hem: ‘Waarom zeg jij eigenlijk niets?’. Een kwartier stilte. Niets. En dan plots superstil: ‘Mijn papa is dood.’”
Dat kan je toch begrijpen dat iemand zo veel verdriet heeft dat hij niet meer kan spreken. De taal van de stilte. En dan is onze samenleving erop gericht dat ze zeggen: zijn broer en zijn zus die praten wel. Het zal wel aan Fabian liggen. En hup, etiket op zijn kop geplakt. Autisme en naar het bijzondere onderwijs waar hij godganse dagen hemden mag strijken en hagen snoeien. Ik vroeg hem waar hij van droomde en hij zei dat hij droomde van de sterren en planeten. De dag nadien had hij een dikke bundel bij met teksten over de sterren en planeten. We hebben daar een tekst van gemaakt die hij heeft gespeeld. Na afloop fluisterde z’n mama; “bedankt, je hebt mijn zoon terug gegeven.”. Hij was weer beginnen praten. Hij was enthousiast. Hij belde me toen we pas in Oostende woonde en bedankte me dat ik achter zijn muur had gekeken want hij studeerde af aan de Technische Universiteit van Eindhoven. Dat is de kracht van kunst. De taal van kunst.
Onze sporen liepen ver uit elkaar, Peter. Dacht ik. Jij ginder in de grote theaters en ik diep in het veld. We weten niks meer van elkaar. Dacht ik. Twee jaar geleden zocht ik jou op. De schrijver met de monkellach. De schrijver over wiens woorden ik zo vaak gestruikeld was. Ik dacht dat je nooit op mijn vraag zou ingaan want ik vroeg je of je met onze Hartenspelers zou willen werken? En ik zocht je op. In je klooster waar je elke een dag “een gedichtje schrijft”, zoals je zelf zegt en potjes bakt. Prachtige potjes in allerlei vormen en maten en we waren samen zenuwachtig en haalden herinneringen op aan hotelkamers en zalen die boos leeg liepen.
En toen vroeg ik je en je zei ja. Je ging de spelers allemaal spreken. Daar in je klooster in Brugge waar je zoals je zegt “een gedichtje schrijft” en een potje draait. Het zijn heel veel potjes trouwens.
En één voor één sprak je met de spelers. En telkens liet je me weten dat je weer een boek had. En ik ontdekte de mensen mens Peter in jou. De mensen mens met dat monkellachje van meer dan twintig jaar geleden die veel mens verbergt in grillige woorden waar je prijzen voor krijgt. Een goed verborgen mensen mens.
Een mens die worstelt, mens die wil lief hebben, mens die het liefst steen na steen onze wereld zou willen herbouwen. Je gaf de spelers jouw woorden met respect voor hun woorden. En daar kwam een fantastische voorstelling uit: Parade. Een geschenk van jou aan hen en weer terug van hen naar jou.
En terug en opnieuw. Een geschenk van jou naar hen en van hen naar jou. En dat is liefde. Dat is een liefde die oproept om beter of misschien wel eindelijk eens naar elkaar te luisteren. En dat is liefde. Dat luisteren. In gesprekken, in woorden, in stilte naar elkaar luisteren. Dat is liefde.
Nablozend van dat alledaags moment waarop de wereld je heeft opgevangen in haar zachte mos. Net dat moment waarop je even niet vastberaden en met geduldige haast stappen zet maar durft te struikelen daar staat de liefde.
Bedankt om te luisteren.
Geschreven in opdracht van Kunstencentrum Kaap, voor Let Love Rule 2025.
Vind-ik-leuk Aan het laden...