Ik stond voor een regisseur, het was een nederlander,  en ik vroeg hem hoe hij de rol zag? “Doe maar wat.”, zei hij en ik deed maar wat. En ziet het was – toevallig – heel goed wat ik deed. De dag nadien vroeg ik of ik verder moest zoeken op de weg die we waren ingeslagen en hij wist het niet zeker maar “doe maar wat.”. Sé, daar krijg ik nu zo het schijt van, hé! Die regisseurs die zo wat uit een toevalligheid uit hun bed zijn gerold en dan de rest van de dag hun medemensen koeioneren met nog meer ongestructureerde toevalligheid. Hebben ze nu nog altijd niet door dat daar niet veel uitkomt dat de moeite waard is om bewaard te worden? Zomaar wat doen, zomaar…da marcheert niet. Ge moet als regisseur tenminste een gids zijn voor uw ploeg. En weet ge wat het ergste is? Er loopt nu een hele kudde van dat soort regisseurs. En af en toe loopt het goed af maar meestal zit ik tenenkrullend naar het resultaat te kijken. En mensen vinden het niet erg dat de regisseur “doe-maar – wat” in zijn vaandel heeft staan want dan kunnen zij het stuk regisseren en dat vinden ze fijn. Dat is zoals al die mensen die nu denken dat ze “culinair expert” zijn omdat er een program op televisie is waar mensen hun mening over een restaurant in een soortemenet van babbelbox mogen ventileren. Ik word ni goe! Ze hebben het op televisie gezien dus nu weten ze allemaal da ge eerst ne coup de torchon moet geven alvorens ge het dessert of de koffie inzet. Ik ging daar vroeger voor naar de hotelschool maar nu kan echt elken debiel zich uitgeven voor kok of kelner of -nog erger- “horeca mens”. De “horeca mens”, ik hoorde het vandaag nog iemand zeggen; “ja, ik ben echt nen horeca mens.”. Da is waarschijnlijk de laatst gevonden stam in de Amazonen; ” De horeca mens!”. Dat is nen helen bleke met een vreemd kapsel en een hemd waar ge een ook ne vlieger van kunt maken. Afin, en dat loopt dus ook in het theater rond maar dan anders maar daar maken ze nog geen televisieprograms over anders zou ik héél graag in de jury zitten. Een idee voor een concept, ik voel het; ” den tejoetermaker.”. “En Jos, heb je de acteurs al meer vrijdheid gegeven?”.

“Ja, ik heb het gezegd, Rani! DOE MAAR WAT!”. En dan is er reclam.

Als je morgenvroeg een liedje zingt dan zal ik er niet zijn. Ik moet werken. Filmen voor één of andere soap. Ik doe het want dan kunnen we misschien samen naar Italië. Misschien… want m’n auto is stuk. En dan moet je wikken en wegen wat je aan wat moet uitgeven. Ik toch. Dus als je morgenvroeg een liedje zingt dan zal ik het horen. Omdat ik het wil horen. Omdat ik thuis wil blijven. Omdat we dan toch een beetje in Italië zijn. En mijn auto die blijft dan maar stuk want ik hoor je je liedje zingen.

Eind vorig jaar waren we met Bolleke sneeuw in Shanghai. En de chinezen willen inderdaad zo snel mogelijk bij het westen horen. Maar deze Chinees toont ons de andere weg! Ik heb al heimwee…

Vandaag heb ik een grote kempentour gemaakt omdat ik daar deze zomer een nieuwe productie maak, “Maria vaart” voor het Gevolg. In Sint Jozef Rijkevorsel kwam ik een tentoonstelling van Miro tegen. Een kunstenaar die ik diep bewonder voor zijn uitgepuurde omgang met de grenzen van de verbeelding. Het was werkelijk surrealistisch om zijn werk daar te zien hangen in een karakterloze polyvalente ruimte waar een man zich steendood aan het vervelen was en vreemd opkeek toen ik daar binnen kwamen…surrealisme overal! Ook het aantal kardinaal Cardijn – straten is er niet op twee handen te tellen net als de talloze scouts en chirolokalen.
Een bevreemdend gevoel bekroop me, alsof ik te gast was in een stukje van dit land waar indianen en de katholieke kerk het samen voor het zeggen hadden. De kempen dus.

Gij draait een fles wijn open en kijkt naar de tafel. Ik zit aan diezelfde tafel en zoek uw ogen. We drinken verder zonder te kijken. Op televisie zijn er allerlei theorieën over geluk; de ene zegt dat geluk pas geluk als je het kunt delen en de andere beweert dat geluk onmeetbaar is. De fles is leeg, we omhelzen elkaar en ik loop de nacht in. Daar kom ik mensen tegen die die hun geluk zoeken in flessen en glazen maar alleen hun vervormde zelf zien. Als ik niet meer weet wat geluk is dan zou er geen verschil zijn tussen mij en hen. Maar ik weet het wel. Dat is mijn geluk.

Overal waar we met Hondstuk komen verdringen mensen zich aan de kassa om de voorstelling te zien. Wachtlijsten zwellen aan, in Leuven stonden er 300 mensen op de wachtlijst en gisteren- in Brussel- riepen mensen elkaar alle zonde van Israël toe. En dan te weten dat er extra voorstellingen zijn in Antwerpen. Na afloop van de voorstelling in Brussel gingen Sien en ik nog iets drinken in een klein cafeetje aan de overkant van het PSK. Aan de bar zaten twee mannen – “de twee Dirk-en” – die niet binnen waren geraakt en dat wreed betreurden. Ze besloten dan maar om zich helemaal lazarus te gaan drinken. Het resultaat was dat telkens we iets bestelden ze begonnen te blaffen. Ook zij komen – hopelijk nuchter – naar Antwerpen.

Ben net terug uit donkere wouden waar ik samen met de studenten van De Dageraad opzoek ging naar een wereld waar ze straks hun Icarus verhaal in zullen spelen. Wat onzeker begint eindigt altijd in een afscheid met een pruillip. Elke kunstenaar zou dit moeten doen. Niet alleen om zijn of haar rol als kunstenaar een werkelijke plek te geven maar ook om te weten wat mensen zijn; dunne vellekes. En dat mogen we niet vergeten, we mogen niet vergeten dat we zelf niet meer dan een dun velleke zijn en dat de mensen voor wie we onze kunst maken ook niet meer zijn dan een dun velleke. En soms verbergen we ons achter een berg van complexiteit in de vorm van wat dan ook maar als we het echt zouden willen toegeven dan komen we er op uit dat het niet meer zijn dan loze gedachten en woorden om de tijd mee te vullen. En loze woorden heb ik niet gehoord de laatste dagen en wie kan dat zeggen?