Mijn lieve kleine Mees ligt met piepende longen in het ziekenhuis. Zijn longen zijn vanaf zijn prille bestaan zijn meest kwetsbare instrumenten. Sinds de zee aan onze voetjes woont gaat het veel beter; actiever dan ooit en steeds met een gezonde blos zwaaien we elke avond de zeemannen uit. “ZEE – MANNEN”, roepen we dan uit volle borst tot het duister klimt en we de sterren kunnen tellen voor het slapen gaan. Maar maandag waren zijn piepende longen terug. Net nu piepende longen en snotneuzen staatsgevaarlijk zijn huisde ze terug in zijn kleine dappere lijfje. De beelden van stervende mensen die de laatste maanden gegijzeld werden door een vreselijk virus flitste door mijn hoofd terwijl we door verplegers in ruimtepakken naar een veel te kleine kamer voor al zijn Meesige energie werden geloodst. We landen op een tafel met een streepe-kleed waar ze bloed  afnamen en vroegen of ze Mees mochten testen op dat virus dat al dat vreselijks deed? Je moest de test wel zelf betalen want voor zulke gevaarlijke virussen komt de verzekering niet tussen!

En dan verdween hij, mijn lieve Mees. Gelukkig in de armen van zijn dappere moeder naar een quarantaine afdeling waar andere mensen vochten tegen en wachten op wat dat virus met hen deed. Via de telefoon gooide ik moedig verdriet naar mijn vrouw en ons hart deed de rest. Die avond wandelde ik naar het strand met zijn broers en we riepen op de zeemannen en dat ze moesten maken dat hun broer het snel weer beter deed. En toen iedereen sliep telde ik de sterren en vroeg aan mijn vader om er voor hem te zijn. En hij gaf me teken in een vallende ster dat hij dat sowieso altijd deed. De nacht sloop voorbij in tergend trage ritmes en in de ochtend kreeg ik de vraag of ik zeker akkoord was om Mees te testen op hét virus dat nu zoveel pijn deed? Mijn prachtige vrouw beschreef hoe ze samen naar het piepen van de machines en de longen hadden geluisterd tot het weer dag was. En toen…mijn moeder in stil geprevel met haar moeder aan de keukentafel zat en vroeg om er voor Mees te zijn kwam het nieuws dat het niet het Coronavirus – ja, dat is zijn naam – was dat in hem huisde. En de lucht werd weer helder en hij  mocht naar een kamer met fijne tekeningen aan de muur. En nu moeten we nog wat wachten tot de infectie weg is en mijn lieve Mees weer eet zoals daarvoor zodat we snel naar de zeemannen kunnen roepen en de sterren tellen en weten wat echt belangrijk is in dit leven.

PHOTO-2020-03-19-13-38-49

“Zullen we elkaar kussen?”. Twee prachtige vrouwen staan tegenover elkaar en weten met zichzelf geen blijf, al monkelend zakken ze in de zetels en nestelen zich in een gesprek over ex-mannen en de schoolcijfers van de kinderen. Het elkaar niet aanraken hangt als een magnetische veld in deze dagen en creëert een solidariteit in afstand houden. Waar je maar kan hopen dat de wetenschap gauw een medicijn vindt om dit virus te bestrijden en dat dat dan van in het begin betaalbaar is.

Dat kan je alleen maar hopen.

In mijn werk ontmoet ik dagelijks heel kwetsbare mensen waarvoor het veelvuldiger wassen van je handen en afstand houden niets is om dit leven te overleven. Ze leven in een permanente overlevingsmodus. Voor hen is er elke dag een nieuw virus in duizenden verschillende vormen; het virus dat de rekeningen niet kan betalen, het virus dat niet kan uitdrukken wat het voelt, het virus dat wil stil staan terwijl de wereld schreeuwt dat dat zeker niet kan, het virus dat altijd verdrietig is…. Als ik zie hoe deze dagen de wereld in kaart wordt gebracht en hoe we exact weten wie wat waar ademt ben ik blij omdat we er dus in slagen om solidair te zijn. En wie weet kunnen we ook de andere – misschien minder zichtbare – virussen in kaart brengen en er iets aan doen. Want het kan dus. We kunnen dus solidair zijn. Als het echt moet. En het moet.

Er stond een familie herten in de wei. Het was deze week. En vorige keer dat we een familie herten zagen groeide Mees bij ons in. We reden naar ons huisje in Frankrijk en zagen een familie herten staan in de wei. ’s Morgens vroeg stonden ze ons op te wachten. Net zoals Mees en zeker nu hij zelf z’n bedje in en uit kruipt. We geloven met z’n tweetjes nogal in tekenen die moeder natuur ons geeft en dan lachen we er mee. Toen je zwanger was van Arthur logeerde we in een huisje in Frankrijk en daar vloog een uiltje vroegtijdig het nest uit. En die mama-uil krijste de hele dag opdat dat uiltje zijn jonge vleugels terug naar haar zou spreiden. Dat uiltje zat op onze vensterbank naar binnen te staren met z’n grote eigenwijze uiltjesogen. Helemaal Arthur.  Eigenwijs met z’n prachtige ogen. En begin deze maand werd Jef 16 en jullie spraken af op de plek waar jullie elkaar voor het eerst hebben ontmoet. En dat was toeval, zei je. Ja ja, wij weten wel beter en we lachen er mee. Exact op die plek en sindsdien zijn jullie onafscheidelijk. Toen we een kindje verloren heb ik het teken van de natuur gemist. Het gebeurde tussen twee voorstellingen door. En we gingen door. En zo cirkelen onze dagen soms als adelaars zonder duikvlucht boven onze hoofden en zie ik niet hoe verdrietig je bent. Dat je onzichtbaar wil zijn, zeg je en er soms niet meer wil zijn. Dat je ons alleen maar in de weg staat, zeg je en ik zeg dat dat niet waar is. Dat ik zonder jou niet kan leven. Dat je de vrouw van mijn leven bent. En ik sla op mijn hoofd omdat ik het niet zag. Omdat ik nu al niet meer weet waar ik was dus het moet onbelangrijk zijn geweest. Je zegt dat het nu allemaal voorbij is. Dat het weer ok is. Dat we nu aan zee wonen en dat dat je echt goed doet. En de herten stonden dicht bij elkaar in de wei. “Kijk, dat zijn wij.”, zeg je.

Hij bracht me een sjaal. De taxi bleef draaien.

“Ik breng je deze sjaal. Dat beloofde ik je. Ik ga niet mee spelen. Het heeft niets met jou te maken.”. De taxichauffeur stapt uit en steekt een sigaret op.

“Mijne meter loopt!”.

Voor me staat één van mijn spelers. Hij is nu twee jaar in België en wil dood.

Z’n hele familie is voor zijn ogen gestenigd. Hij kan het niet verdragen dat hij hier is en leeft.

In onze gesprekken komt naar boven dat hij heel goed kan breien.

En nu staat hij hier met een prachtige sjaal.

“Ik moet nu gaan. De sjaal is lekker warm. Voor jou.”.

Ik omhels hem en zeg hem dat hij naar de kapper moet.

Een grapje dat we maakte tijdens de repetities omdat hij werkelijk het meest idiote kapsel heeft dat een mens zich kan inbeelden. Hij knipt zijn haar zelf.

Er waren dagen dat hij niet kon staan of het niet kon verdragen dat we danste of lachten.

Hij loopt naar de taxi, de chauffeur rijdt weg naar een onbekende bestemming.

Misschien naar een plek die hij even thuis mag noemen,

Of een plek waar hij altijd rust heeft.

 

We waren vijftien. Ze zat bij me in de hotelschool klas.

Ze kwam vroeg uit het Waasland aangereden.

Tijdens de Franse les zaten we naast elkaar en

keek ik naar de krassen op

haar armen.

Ze woonde vroeg alleen

in een kamer die ze thuis noemde.

Met mijn puberhoofd probeerde ik haar te troosten

als de krassen dieper werden

en ze de temperatuur van de chocolade niet meer

proeven kon door het verdriet

in haar hoofd.

En toen bleef ze weg.

Ze ging het echte leven in.

Met mijn puberhoofd probeerde ik

haar terug te halen

maar een man deed de deur open

en zei dat ze me nu niet wilde zien.

Na een voorstelling zag ik haar

onherkenbaar

aan een tafel zitten en we wisten

dat het leven

zo zijn gangetje gaat.

En we lachten ingehouden

over oudejaarsavonden waarop we

samen werkten in

godvergeten hotels in godvergeten dorpen.

We gingen ieder onze weg en ik zag haar terug in de krant

omdat ze er niet meer was.

 

En daar stonden we …..in een landschap van lange rijen mensen die hun toekomst in dit land willen bouwen; mannen en vrouwen van alle leeftijden en kinderen.Soms niet meer dan schaduwen.

Daar verscheen één van mijn spelers voor een rechtbank die beslissen moet of hij hier mag blijven. Advocaten pendelen tussen zalen en luisteren aan de deur of ze ook hier een zielloos pleidooi kunnen houden. Een voorzitter luistert onbewogen naar verhalen van mishandelen en misbruik terwijl kinderen – hier geboren – verlangen naar ouders die niet langer moeten vluchten. De Belgische staat, vertegenwoordigd door een ongewassen natuurgids, leest koud en harteloos voor dat de Belgische staat telkens weer volhardt in haar beslissing.

De verhalen zijn keer op keer schrijnend.

De voorzitter stelt soms een vraag. Soms citeert hij een besluit dat al genomen is. Een tolk kan nooit de emoties vertalen in de verhalen van deze mensen. Huilend worden sommige door mannen in te krappe truitjes meegenomen.

Is dit het land waar ik woon?

In deze te kleine kamer worden besluiten genomen over mensenlevens. De richting en adem van een mens wordt hier afgesneden. Mijn speler komt naar voor. Hij pleit voor zichzelf, ik moedig hem aan en nu moet hij wachten.

De vader van mijn overgrootvader was een bakker bij het leger van Napoleon, niemand in deze contreien vrat  het lange brood dat hij toen bakte. Hij bleef hier uit liefde. Ook dat kan hier nu niet meer…. en dat brood werd pas veel later een succes.

De politie houdt een razzia in de nachtwinkel. De vader en zijn zoontje die altijd achter de toonbank zitten en daar hun wereld hebben met spelletjes en gekke imitaties van de klanten die voorbij zijn worden op straat gezet. Aan de overkant blijven tientallen mensen staan – als in een openluchttentoonstelling – en kijken naar het machtsvertoon van de politie. De vader kijkt naar de mensen. Het zoontje kijkt naar de lucht. Ik zou hen willen meenemen en hen deel laten uitmaken van mijn wereld. Maar in mijn lafheid loop ik voorbij. De dagen en weken nadien blijft de nachtwinkel gesloten.

De straatveger veegt de peuken weg die dolende nachtbezoekers in het portiek van de nachtwinkel hebben achter gelaten. En als niemand kijkt helpt de straatveger een mens op de vlucht met de weg te zoeken naar de juiste papieren.  Hij spreekt de taal en kent weg. De nachtwinkel is nu leeg. Ik heb de vader en het zoontje niet meegenomen. Alleen de sterren weten waar ze zijn.