hard hart

Dag moeder

Schoon moeder.

Broeder tot broeder
Van ’t prachtige jong leven
En smachtige bon voeder
Zoete tovervoedster
Sussend als we roepend woelden
Honingin
Kussend onze woede koelend
Ons vriendin
Altijd op ’t goede doelend
Koningin
Soms hard van zin
Als w‘ ons plons
Verdronken in geveinsde smart
Ons plons verzonken
In ’t verkleinde hart
Vol zelfmedelijden
Liet ons plons broek mor wa vol schijten
En ons plons zo mor wa flauw blijten
Lijk mekkerende geiten
Tot w‘ inzagen dat ’r niks dan niks
Viel te klagen
Over ons zinder kinderdagen
Onze kinderwagen voortduwend
Langs huizen en hagen voortstuwend
Kilo’s eten dragend voortdurend
Choco pekes en lakens
Voor de wasserette
G‘ had bergen verzet
Wij hadden bakken
Vol pret
Soms kregen we ’n klets
Als w‘ ons broer weer voor de grap
Pootje lap hadden gezet
Of vet met een trompet
Op z’n bakkes hadden geket
Of riepen achterlijke jeanette
’t Is voorbij
Nog mor just nog mor net

Ik kon ze ni zien
Mor wel voelen
Ze was m’n verdriet
Aan ’t bekoelen
Een schoon griet
’t Was ons moeder
In een stoffige stad
Aan den oever
Van een rivier
Ze vroeg of ik
Ze ni vergat

Koningin van melk en honing
Beloning van elks geboring
Grote vriendin gode godin
Zin van ’t beginnend
Gemin in ’t hart van
Een kind
Blind goegezind
Bij ’t vegen van ons kin
Na nen baby longdrink
Of ’t horen van een klink
’t Getjippel van ne vink
’t Getrippel van ne bink
Me’ een broekske stink
Hink stap hink
In uw blinkede blink ogen
Vol singende sing dromen
Maar een kind en een kind
Was geboren
Na ’t minne de min
Me ne grote me bingende bing kloten
Vol mini de king goden
En een dingeling ding
Goesting tussen z’n
Poten
Volledig verdwaald
In uw bekoring
Der goddelijke betovering
Zoals menig konings
Zoldering ging
Van bling bling
As ze u hadden gezien
Maar g‘ had uw hart
Verloren aan
Dien ene zonderling
Der bewondering
Verwondering na verwondering
Nam d‘ ons mee
Op avonturing van
Zomering naar wintering
Gij die mij voor altijd in slaap zingt

Ik kon ze ni zien
Mor wel voelen
Ze was m’n verdriet
Aan ’t bekoelen
Een schoon griet
’t Was ons moeder
In een stoffige stad
Aan den oever
Van een rivier
Ze vroeg of ik
Ze ni vergat

’k Heb gedroomd vannacht
Van hare lach zacht
Vol pracht en kracht
Ze wacht
Schoon gedacht
Rode ochtend kleuren
Grote wonderdeuren
Zode ondergeuren
Die mijne ziel naar de hare sleuren
Z‘ is weggelegd
Onthecht zegt nimmer
Recht zacht iets echt
In m’n oren na een
Verdacht gevecht
Met de grote eerst geboren
Of een slecht verhard
Gespecht in mijn hart
Da verloren is aan ’t
Lopen om glimmer
Kaas en choco te kopen
M’n gedacht slecht
Is aan ’t mopen
Geen toten geen bezen
Geen noten geen beten
Genoten verleden
Geen moeke om nog
Verhaaltjes voor te lezen
Haar die we zo aanbeden
Aanbidden bij haar
Pitten of naast haar
Op de klote vakbond
Zitten zoals ze zei
Want da komt ni
Van mij
Ja, ze kon vitten en zagen
Ja, soms kitten en klagen
Over dingen die ze ni kon verdragen
Toen kon ik ze haten
Nu zal ’k ze missen
Die dagen
Soms moesten we
Moeten dingen doen
Tegen ons goesting toen
En waren wij
De kapoen van de noen
Tot den avondzoen
Moedig ging ze poen
Binnenrijven
Voor ’t vullen van
Ons klein groen
Lijven
Recht blijven tot ze
’s Avonds in de zetel
Neerzijgde terwijl
Wij zwijgend ons bed
Opvrijde met blijde
Verwachting en geile
Gedachting

Ik kon ze ni zien
Mor wel voelen
Ze was m’n verdriet
Aan ’t bekoelen
Een schoon griet
’t Was ons moeder
In een stoffige stad
Aan den oever
Van een rivier
Ze vroeg of ik
Ze ni vergat

uit  “Hard hart.” 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s