Mijn broer Peter zat altijd te studeren. Een hoed op. De venster van ons krakkemig huis in de Molenlei stond open . Ik ging slapen en Joe Jackson was op de radio. Toen nog onbezorgd en nu begrijp ik het. Het is tijd voor de zomer.

En daar sta ik dan, alleen tegenover een groep die me met open armen ontvangen. Ze zijn enthousiast, de leerlingen van DE DAGERAAD. We vertekken vanuit Icarus, het verhaal van de gevleugelde zoon. Stapje na stapje hoor je de stilste stemmen open breken. Soms is er baldadigheid omdat er ook een houding moet zijn. Die straf ik af. Geef de baldadigheid misschien te veel aandacht maar ik vind het zo jammer dat ze het zelf niet zien;  ze spelen met hun toekomst en dat is uitdagend maar nu nog gehuld in onwetendheid. Dezelfde, net dezelfde onwetendheid tref ik bij een directrice, ze krijgt dit al twee jaar kado en als je haar  dan vraagt hoe ze de toekomst ziet dan antwoord ze je als een sjacheraar op de markt van Istanbul. Waarschijnlijk is het angst voor het onbekende. Misschien als ik in het systeem zat dan was het niet zo erg. Maar ik zit niet in het systeem. Ik loop er naast, spring er soms in, ga er uit om andere dingen te doen. En ja , ik wil maar ik blijf alleen voor die groep staan en dat moet veranderen. Dat zal veranderen.

Hoe heerlijk was het daar in het Oosten. Snel gaan we weer. Mijn zoon heeft z’n verrekijker al ingepakt en deze keer gaat hij mee. En dan lopen we samen door die mensenzee. Wat is het heerlijk om de wereld nog een keer te mogen ontdekken. Eigenlijk voor ’t eerst ontdekken. Het dekentje van de wereld op tillen en kijken wat er voor jou overblijft terwijl je d’r onder kruipt.

Ik stond voor een regisseur, het was een nederlander,  en ik vroeg hem hoe hij de rol zag? “Doe maar wat.”, zei hij en ik deed maar wat. En ziet het was – toevallig – heel goed wat ik deed. De dag nadien vroeg ik of ik verder moest zoeken op de weg die we waren ingeslagen en hij wist het niet zeker maar “doe maar wat.”. Sé, daar krijg ik nu zo het schijt van, hé! Die regisseurs die zo wat uit een toevalligheid uit hun bed zijn gerold en dan de rest van de dag hun medemensen koeioneren met nog meer ongestructureerde toevalligheid. Hebben ze nu nog altijd niet door dat daar niet veel uitkomt dat de moeite waard is om bewaard te worden? Zomaar wat doen, zomaar…da marcheert niet. Ge moet als regisseur tenminste een gids zijn voor uw ploeg. En weet ge wat het ergste is? Er loopt nu een hele kudde van dat soort regisseurs. En af en toe loopt het goed af maar meestal zit ik tenenkrullend naar het resultaat te kijken. En mensen vinden het niet erg dat de regisseur “doe-maar – wat” in zijn vaandel heeft staan want dan kunnen zij het stuk regisseren en dat vinden ze fijn. Dat is zoals al die mensen die nu denken dat ze “culinair expert” zijn omdat er een program op televisie is waar mensen hun mening over een restaurant in een soortemenet van babbelbox mogen ventileren. Ik word ni goe! Ze hebben het op televisie gezien dus nu weten ze allemaal da ge eerst ne coup de torchon moet geven alvorens ge het dessert of de koffie inzet. Ik ging daar vroeger voor naar de hotelschool maar nu kan echt elken debiel zich uitgeven voor kok of kelner of -nog erger- “horeca mens”. De “horeca mens”, ik hoorde het vandaag nog iemand zeggen; “ja, ik ben echt nen horeca mens.”. Da is waarschijnlijk de laatst gevonden stam in de Amazonen; ” De horeca mens!”. Dat is nen helen bleke met een vreemd kapsel en een hemd waar ge een ook ne vlieger van kunt maken. Afin, en dat loopt dus ook in het theater rond maar dan anders maar daar maken ze nog geen televisieprograms over anders zou ik héél graag in de jury zitten. Een idee voor een concept, ik voel het; ” den tejoetermaker.”. “En Jos, heb je de acteurs al meer vrijdheid gegeven?”.

“Ja, ik heb het gezegd, Rani! DOE MAAR WAT!”. En dan is er reclam.

Als je morgenvroeg een liedje zingt dan zal ik er niet zijn. Ik moet werken. Filmen voor één of andere soap. Ik doe het want dan kunnen we misschien samen naar Italië. Misschien… want m’n auto is stuk. En dan moet je wikken en wegen wat je aan wat moet uitgeven. Ik toch. Dus als je morgenvroeg een liedje zingt dan zal ik het horen. Omdat ik het wil horen. Omdat ik thuis wil blijven. Omdat we dan toch een beetje in Italië zijn. En mijn auto die blijft dan maar stuk want ik hoor je je liedje zingen.

Eind vorig jaar waren we met Bolleke sneeuw in Shanghai. En de chinezen willen inderdaad zo snel mogelijk bij het westen horen. Maar deze Chinees toont ons de andere weg! Ik heb al heimwee…

Vandaag heb ik een grote kempentour gemaakt omdat ik daar deze zomer een nieuwe productie maak, “Maria vaart” voor het Gevolg. In Sint Jozef Rijkevorsel kwam ik een tentoonstelling van Miro tegen. Een kunstenaar die ik diep bewonder voor zijn uitgepuurde omgang met de grenzen van de verbeelding. Het was werkelijk surrealistisch om zijn werk daar te zien hangen in een karakterloze polyvalente ruimte waar een man zich steendood aan het vervelen was en vreemd opkeek toen ik daar binnen kwamen…surrealisme overal! Ook het aantal kardinaal Cardijn – straten is er niet op twee handen te tellen net als de talloze scouts en chirolokalen.
Een bevreemdend gevoel bekroop me, alsof ik te gast was in een stukje van dit land waar indianen en de katholieke kerk het samen voor het zeggen hadden. De kempen dus.

Gij draait een fles wijn open en kijkt naar de tafel. Ik zit aan diezelfde tafel en zoek uw ogen. We drinken verder zonder te kijken. Op televisie zijn er allerlei theorieën over geluk; de ene zegt dat geluk pas geluk als je het kunt delen en de andere beweert dat geluk onmeetbaar is. De fles is leeg, we omhelzen elkaar en ik loop de nacht in. Daar kom ik mensen tegen die die hun geluk zoeken in flessen en glazen maar alleen hun vervormde zelf zien. Als ik niet meer weet wat geluk is dan zou er geen verschil zijn tussen mij en hen. Maar ik weet het wel. Dat is mijn geluk.