Na de uitverkochte spelreeks op de Zomer van Antwerpen sluit “Gezjost'”op 22 september 2011 het kunstenfestival Takt af in het Dommelhof in Neerpelt

De voorstelling start om 21.30u.

 ”Gezjost” is een poëtische en beeldende voorstelling die deze zomer voor heel wat controverse zorgde op de Zomer van Antwerpen. Stefan Perceval schreef en regisseerde “Gezjost” in opdracht van het vredescentrum in Antwerpen .

“Gezjost” vertelt het verhaal van leeuwentemmer, dierenvriend en in – zichzelf- prater Jozef Kets en zijn compagnon Maarten.

Maarten was tot twee jaar geleden leraar maar mag na een ongeval geen les meer geven, mag zelfs geen voorlees – ouder zijn en zal waarschijnlijk als 32  jarige levenslustige jonge man op pensioen gesteld worden.

 Als “geïmporteerde” Antwerpenaar weet Jozef Kets alles over zich aanpassen en uitvergroten in de tweede grootste havenstad van Europa.

Jozef is dan ook bereid het meisje dat bij hem aanspoelt te helpen in haar worsteling met haar nieuwe identiteit maar er zijn grenzen aan solidariteit.

credits:

tekst/regie:Stefan Perceval

Spel:Tom kets,Marit Stocker en Maarten Rabaut

Muziek:Tom Kets en Maarten Rabaut

kostuums:Melissa Fellahi

Liefde van Helene Swarth

 I

En langs een wand van rotsen, rug aan rug,

Volgde ik een pad verlicht door maan noch zon.

Toen stond ik vóór een afgrond en ik kon

Geen handbreed verder en geen stap terug.

En de angst des doods kwam over me, ik begon

Te beven en ik riep: – ‘Wie bouwt me een brug?’

En ’t ver gebergte gaf mij, hoonend-stug,

Mijn woorden weêr, tot wanhoop mij verwon.

Toen zag ik naast me een marmerbleek gelaat,

Met donkere oogen, vonklende in den nacht,

En ‘k hoorde een stem, gebiedend, schoon zeer zacht:

“Zoo ge om mijn hals vertrouwend de armen slaat,

Draag ík u over de’ afgrond!’ – Ik dan, als

Een kind, sloeg de armen, zwijgend, om zijn hals.

II

Ik hoorde ’t ruischen van zijn vleugelslag

En anders niet. Toen vroeg ik: – ‘Wie zijt gij?

‘k Voel me aan uw borst zóó veilig en zóó blij,

Als hadde ik niet geleefd vóór dezen dag.’

Maar zwijgend vloog hij voort naar de andre zij

Van de’ afgrond, en ik weende om wat ik zag:

De weemoedswel, die in zijne oogen lag,

Vloeide over. – ‘Engel, is die traan voor mij?’

En na een wijle sprak hij: – ‘Ja, ik ween

Om wat ge in mijn naam lijden moest weleer,

En wéér moet lijden. Zie, hier blijft ge alleen.’

En in een woud liet hij met mij zich nêer,

Sloot met een kus mijne oogen en… vloog heen.

En ‘k zeeg ter aarde en hoorde en zag niet meer.

Mocht alvast een stukje kijken van deze kleine voeten – voorstelling. Drijvende kracht achter dit project is de jonge Nelle de Maeyer, stukje bij beetje bij bouwt ze aan een klein fantastisch huis waar ze producties maakt voor iedereen vanaf 2,5 jaar. Houd ze in de gaten….

“Wanneer ik hier, zoals ik nu ben, zou zitten met de ogen van een spin, zou ik alles heel anders zien. Ik zou niet alleen andere dingen zien, maar ik zou dezelfde dingen ook anders zien. […] En als ik dan vervolgens hier zou zitten en zou kijken met de telkens weer andere ogen van een vlinder, een kikker, een mus, een vis, een nijlpaard, een koe, met rollende facet-ogen, ogen op stokjes, vochtige reeën-ogen of zelfs maar met de ogen van een ander mens, met allerlei soorten van ogen, die toch echt ogen zijn en de dingen echt zien, en ik zou daarna weer de heel speciale bril van mijn eigen ogen, waaraan ik mijn waarneming blind toevertrouw, kunnen opzetten, dan zou ik geschokt en vervreemd zijn. Er zijn zoveel ‘andere’ mogelijkheden van zien, dat mijn kijk op de dingen nauwelijks meetelt. Hoeveel ogen zijn er niet op de wereld? En er zijn zoveel werelden als er paren ogen zijn. Dit besef is vervreemding; het tilt mij weg uit mijn eigen middelpunt en maakt mij excentrisch.”

Cornelis Verhoeven – “inleiding tot de verwondering.”

Tante Jeanne  is een huis vol rust. Te veel rust als je weet dat ze een zus van mijn moeder is. Tante Jeanne is een hoekje vol speelgoed, achter de televisie. Tante Jeanne is drie keer per dag eten in een tijd dat dat niet evident was. Tante Jeanne is muisjes op dinsdag en een nieuwe bureaulamp aan het begin van het nieuwe schooljaar. Tante Jeanne is lopen op een verlaten fabrieksterrein en een schaal vol snoep. Tante Jeanne is buch de Noëlle toen nonkel Roger nog leefde.  Tante Jeanne is het inschrijvingsgeld voor de hotelschool en een koperen potje om-  na zes jaar –  mijn eindexamen te maken. Tante Jeanne is de vraag; “hoe is het met onze Jef?”.   Tante Jeanne is haar familie bij elkaar brengen en van onderuit knipogen. Tante Jeanne is komen kijken ook al zegt iedereen dat dat echt niet meer te doen is .

Tante Jeanne was een bezoek aan een home waar ze niet graag was  en vorige week was tante Jeanne een stil beeld in een bed, handen die onder een laken wuiven. Een traan die over haar wang rolt  en mijn moeder veegt ze weg….tante Jeanne.

Tante Jeanne slikte met veel pijn haar laatste adem in.

MARIA:

Gaade dan mee, moeder.

Met den trein naar Brussel.

Naar de Nord.

ROSA:

Twintig minuten wachten.

MARIA:

Brussel ruikt naar groene zeep, ’s morgens in de café’s .

ROSA:

“Un café noir pour Madame et un thé au lait pour mademoiselle.”

MARIA :

Ge hoort den helen tijd gerinkel van tassen en lepeltjes.

Gaade mee, moeder?

ROSA:

’s Middags eten we boterhammen met platte kaas en radijzen.

MARIA:

De ochtendzon schijnt fel naar binnen in het café.

Door het glas in lood.

Ze tekent blauwe, rode en groene vierkantjes op het tafelblad.

En dan kijk ik ne laatste keer naar mijne zoon voor ik hem daar bij die nonnen afzet.

En ze sluiten de deur van ’t internaat en ik hoor ne gil alsof ‘em mij nooit vergeven.

Ik kan geen moeder zijn. En dan terug de trein op naar de dokken of naar Keulen en daar zit ik daar heel de nacht te wachten tussen al die oorlogsverhalen.

Een moeder die alle drie haar zonen heeft verloren, eentje in Rusland en twee bij de lijf aan lijf gevechten in Berlijn.

ROSA:

Voor iedere soldaat zou een moeder moeten staan.

Dan zou den oorlog rap voorbij zijn.

MARIA:

(ze lacht)

Voor ieder moeder zou d’r ne soldaat moeten zijn dan kan de moeder moeder zijn.

 

Mijn lieve vriend Tom Kets en Martine De Kok hebben samen een nieuwe voorstelling gemaakt, “Gruffalo” naar het gelijknamige prentenboek van Julia Donaldson en Axel Scheffer.

Ik had de eer Tom en Martine te begeleiden bij hun repetitieproces en het resulaat is een grappige, poëtische en muzikale vertelling voor de allerkleinste. Een speellijst en meer info vind je hier.